Select Page

Manieren van kijken

Vorm, identiteit en stijl in de architectuur en de beeldende kunst in de 19e eeuw

View from the Knightsbridge Road of The Crystal Palace in Hyde Park for Grand International Exhibition of 1851 | Read & Co. Engravers & Printers | 1851

Bekijkwiki

Vorm, identiteit en stijl in de architectuur en de beeldende kunst in de 19de-eeuw

In de 19e eeuw stelt de architectuur zich voor de uitdaging om vorm en functie overeen te laten komen. In combinatie met de grootschalige infrastructurele projecten ontstaat zo een samenhangend, herkenbaar geheel, dat zijn oorsprong vindt in de vervlechting van beginselen uit de 17e en 18e eeuw. De zeggingskracht die de beeldende kunst bijdroeg aan die gebouwen was aanmerkelijk groter dan de architectonische.

Architectuur in de 17de en 18de-eeuw: interpretatie en ontwikkeling van Vitruviaanse uitgangspunten

Modus, decor en stijl

De tien boeken van Vitruvius waren uitgangspunt voor de architectuur van de 17e en 18e eeuw. De belangrijkste zijn:

  • symmetria: Staat hier voor de harmonie die wordt bereikt door de juiste maat verhoudingen (dus niet te verwarren met de mathematische betekenis van symmetrie als spiegelbaar ten opzichte van een lijn, punt of vlak). Basis voor de maatverhoudingen is de module, een rekenkundige relatie die in alle afmetingen van de compositie is terug te vinden.
  • modi: Meestal orden of zuilenorden genoemd, die staan voor standaard verhoudingen: Dorisch (viriel), Ionisch (Apollinisch), Korinthisch (feminien), Toscaans, Composiet. De keuze van een modus hangt grotendeels af van het decor
  • decor: staat voor gepastheid. De modus moet passen bij het decor, ofwel de functie van het gebouw, de status van de eigenaar en de pretenties van de opdrachtgever. Het hoogste is de Korinthische of composiet orde, maar er kan een uitzondering gemaakt zoals het Tempietto van Bramante waarbij de keuze voor de Dorische orde is ingegeven door het mannelijke karakter van Petrus

Toepassing van modi is een voorbeeld van ‘stijl’, als ‘manier van doen’. Stijl bevindt zich ergens tussen de persoonlijke artistieke uitdrukking en de gereglementeerde karakterisering.

Classicisme, nieuwe stijlen en terugkeer tot de bronnen

Men spreekt van classicisme als de modi van Vitruvius strikt worden toegepast, bijvoorbeeld het Mauritshuis van Jacob van Campen. In een vrijere opvatting staat niet de harmonie centraal, maar et theatrale effect, zoals in de Cornarokapel (1647-1652) van Gian Lorenzo Bernini (1598-1680), die te duiden is als barok (grillig) en de bedevaartskerk van Vierzehnheiligen (1743-1772) van Balthasar Neumann (1687-1753), die het meest weg heeft van een schelpengrot (rocaille > rococo) waarin de eenvoud en eenduidigheid van de constructie wordt overwoekert door ornamenten. In die laatste wordt de architectonische harmonie niet benadrukt, maar dient slechts als decor voor het genadealtaar.

Naast het classicisme en de vrijere opvattingen is er een derde stroming die zich richt op de authentieke resten van de klassieke beschaving zonder de interpretaties sinds de 15e eeuw. Hier onderscheiden zich graecisten – voorstanders van de de Griekse bouwkunst – en romanisten voorstanders van de Romeinse bouwkunst. Voorbeeld van de laatste is Le antichità Romane van Giovanni Battista Piranesi (1720-1778), die pleitte voor een onderzoek naar de overblijfselen van de Romeinse cultuur en een verwerking ervan in een nieuwe cultuur.

Primitieven als basisvorm: Boulée, Ledoux en Neufforge

De Cenotaaf van Newton (1784) van Étienne-Louis Boullée (1728-1799) kenmerkt zich door een zelfde streven naar massiviteit, staticiteit en onmetelijkheid. Boulée’s werk wordt visionair en megalomaan genoemd. Primitieven kenmerken zich door eenvoudige vormen en afwezigheid van details die de zeggingskracht belemmeren. Basisvormen zijn de bol, cylinder of kubus. Ook Claude-Nicolas Ledoux (1736-1806) kiest de primitieven als grondvorm, weliswaar op realistischer schaal, doch soms niet uitvoerbaar. Boulée en Ledoux zijn exponenten van een ontwikkeling die de module als basis voor ontwerpen vervangt door primitieven. Jean-Francois de Neufforge (1714-1791) schrijft een voorbeeldboek met plattegronden bestaande uit primitieven die als voorbeeld gevolgd kunnen worden, maar de systematiek is dwingend en laat slechts ruimte voor variaties in indeling of decoratie. Robert Morris (1702-1754) gaat het verst in abstrahering. Het Petit Trianon (1761-1764) van Ange-Jacques Gabriel (1698-1782) is een breuk met Vitruvius. Het combineert een rechthoekige doos met een Louis XVI-stijl. Ook de Sainte Genevieve (nu Panthéon français) van Jacques-Germain Soufflot (1713-1780) is een breuk met de harmonieprincipes van Vitruvius.

Systematiek en economie: Durand

Het werk van Boullée en Ledoux bood geen praktisch vastomlijnd systeem. Jean-Nicolas-Louis Durand (1760-1834) bood wel een aanzet. Zijn alternatief voor Vitruvius is een onderliggend raster dat ruimte beidt voor eindeloze horizontale en verticale combinaties. Het primaat van harmonie wordt vervangen door spaarzaamheid financieel, materiaal en vorm. Deze allesomvattende economische doelmatigheid leidt als vanzelf tot symmetrie, regelmaat en eenvoud, vooral door gebruik  van het vierkant. Voor schoonheid en grootsheid schrijft hij de cirkel voor. De kwaliteitsvolle module maakt plaats voor het kwaliteitsloze vierkant. Dit correspondeert met de reductie door de natuurkunde van kwaliteitsvolle fenomenen tot algemene elementen. Durand grijpt terug op de middeleeuwen, volgens hem had een vroegchristelijke basilicavorm voor de Sint-Pieter had driekwart van Europa eeuwen aan rampspoeden bespaard. Hij aanvaardt de grondvormen van historische voorbeelden als de gotische kerken (ontdaan van door hem verfoeide detailleringszucht), maar biedt in zijn visie plaats aan een ruimer vormenrepertoire dan de klassieke  bouwkunst.

De 19de-eeuw: herkenbaarheid, identiteit en een veelheid van stijlen

Herkenbaarheid van functies

Met een ontwerpsystematiek van gelijkwaardige vierkanten verliest de architectuur haar centrale criterium voor de totale compositie en de mogelijkheid om via het decor de identiteit van het gebouw uit te drukken. Durand richt zich niet langer op maatschappelijke en culturele hiërarchie, maar op een herkenbaar onderscheid van de functies die gebouwen vervullen. Hij gebruikt voorbeelden van gebouwen die tot dan toe nog niet bestaan, zoals stations en musea. Zijn traktaten worden intensief gebruikt door de Écoles Polytechniques die in Europa een monopolie hadden op het bouwkunde onderwijs. Op grond van Durands ontwerpsystematiek ontstond een classificatie van gebouwtypen, met herkenbare composities voor bijvoorbeeld musea, scholen stations of administratieve gebouwen, die overal in Europa herkenbaar zijn.

Nationale architectuur: Von Klenze en Schinkel

In Duitsland draaide het begin 19e eeuw om Leo von Klenze (1784-1864) en Karl Friedrich Schinkel (1781-1841). Hun werk is minder systematisch en rigoureus, met meer aandacht voor praktische uitvoerbaarheid en representativiteit. Hun bijdrage aan de 19de-eeuwse architectuur is de incorporatie van historische voorbeelden in eigentijdse ontwerpen. In eerste instantie diende het oude Griekenland als voorbeeld. Marmeren tempelfronten en portico’s golden als de juiste omgeving voor Pruisische en Beierse vorsten en burgers. De keuze voor de Griekse cultuur was gestoeld op de nagestreefde unificatie van de verschillende Duitse staten en naties. Illustratief is het Walhalla programma van Ludwig I van Beieren. Het neoclassicistische ontwerp van von Klenze – in de vorm van een panmuseion waarin alle Germaanse helden geëerd worden – had de vorm van een ideale Dorische tempel.

De Franse architectuur van die tijd geldt als rationeel, de Duitse als romantisch. Von Klenze en Schinkel gebruiken losstaande Griekse zuilenfronten, werken horizontaal en minder verticaal, waar Boullée en Ledoux een voorkeur hadden voor de Romeinse vormen. Het Griekse voorbeeld was onvoldoende en werd aangevuld met voorbeelden uit de Italiaanse renaissance en de gotiek. Voorbeelden zijn de Von Klenzes Königsbau van de Residenz in München (een kopie van Palazzo Pitti in Florence) en Schinkels Neuer Packhof en de Bauakademie in Berlijn.

Exotisme, Goticisme en de juiste Gotiek: Nash, Walpole en Pugin

Door de introductie van historische elementen werd onbegrensde variatie mogelijk. De oosterse extravagantie waarmee John Nash (1752-1835) het Royal Pavilion in Brighton optuigde gaat terug 18de-eeuws exotisme. Horace Walpole (1717-1797), grondlegger van de gothic novel verbouwde zijn huis Strawberry Hill geïnspireerd door gotische architectuur. Schinkel zou hierdoor beïnvloed zijn, zichtbaar aan de typisch Engelse horizontale indeling, maar ook in zijn Friedrichswerdersche Kirche in Berlijn.

August Welby Northmore Pugin (1812-1852) onderbouwt het gebruik van de gotische stijl op grond van morele overwegingen. In Contrasts confronteert hij locaties uit 1440 met 1830 en verbindt het artistieke verval met het morele, christendom tegenover utilitarisme plaatsend. De juiste (gotische) ambiance heeft een vormende functie en leidt tot een goede maatschappij, terwijl een corrumperende, oneigenlijke stijl tot verdorvenheid leidt. Hij kopieerde niet slechts, maar ontwikkelde een eigentijdse gotische true English stijl, opgenomen in het nationaal erfgoed als een vorm van Engels nationalisme.

Historisering en Eclectisme

De architectuur van de 19de-eeuw wordt historiserend genoemd, teruggrijpend op historische voorbeelden. Het gebruik van een stillistisch idioom impliceert een stellingname over historische continuïteit en identiteit, verbonden met religie, maatschappijvisie en nationaliteit. In de 20ste-eeuw wordt het gebruik van verschillende stijlen, eclectisme, door critici, in navolging van Pugin, gezien als teken van een crisis in de architectuur en in de samenleving, Typerend voor de 19de-eeuwse bouwkunst is de spanning tussen herkenbare functie en pretenties van de opdrachtgever. In Nederland verwijst de stijl naar de republiek, in Engeland naar de staatkundige vorming van de 15e en 16e eeuw. In Duitsland spreekt men over Wilhelminische stijl met romaanse elementen, het nieuwe keizerrijk van Wilhelm II als de vanzelfsprekende opvolger van het Heilige Roomse Rijk.

 

Richtlijn voor het gebruik van stijlen in de 19de-eeuw.
classicistisch
Dorisch representatieve overheidsgebouwen
Ionisch musea, theaters, operagebouwen, scholen bibliotheken
Korinthisch banken, stations, paleizen van justitie, markthallen, fabrieken
romaans kazernes en andere militaire gebouwen, stadspoorten
gotisch kerken, kloosters, ziekenhuizen, liefdadigheidsgebouwen
renaissancistisch stadspaleizen, stadhuizen
Egyptisch begraafplaatsen

Wiener Ring: etalage van stijlen

Het project van de Wiener Ring (1858-1910) is de etalage bij uitstek van het 19de-eeuwse identiteitsstreven in een veelheid aan architectonische modellen en voorbeelden uit het verleden. De musea van de Ring zijn opgezet volgens het schema van Durand met een Ionisch stijlidioom de barokke detailleringen verwijzen naar het Habsburgse rijk van de 17de en 18de-eeuw, het parlementsgebouw is Korinthisch, de Votivkirche is gotisch, het parlementsgebouw is classicistisch. Het Neues Rathaus is eerder gotisch gedecoreerd (in spitsbogenstijl), dan van gotische architectuur. De Rudolfskaserne is ook volgens het blokkenschema van Durand, de detaillering met rondbogen is neoromaans, passend bij het martiale karakter.

De stijl van ingenieursbouwwerken: Brunel en Paxton

Bouwkundige constructies, zoals bruggen en fabrieken, bestaan vaak uit een technisch element en een representatief element. De brugover de Avon bij Bristol (1831-1864) van Isambard Kingdom Brunel (1806-1859) heeft toegangspoorten als Egyptische tempelpylonen. Het Chrystal Palace (1850-1851) van Joseph Paxton (1803-1865) een grote kas op een rooster van vierkanten geheel volgens Durand. De ronde gietijzeren bogen en oculi zijn zowel een bescheiden versiering als een ingehouden noodzakelijke technische toevoeging. Het is het meest Durand-achtige gebouw en loopt vanwege het ontbreken van enig historisch stijlonderdeel vooruit op de 20ste-eeuwse ontwikkelingen.

De schilder- en beeldhouwkunst

Van historiserende mythe naar politieke realiteit

Hoewel de schilder veel minder gebonden is aan financiering, voorbereidingstijd en gebruiksfunctie zijn ook hier algemene stijlnoties van toepassing. Vooral als het om opdrachten gaat voor openbare gebouwen. In de laatste decennia van de 18de-eeuw (Franse revolutie) veranderde de onbekommerdheid van het decor voor de schilderkunst. Kunstenaars gaven uitdrukking aan hun artistieke en politieke positie met een beroep op het verleden, zoals in de dood van Socrates van Jacques-Louis David. Deze voorstelling van ‘de dood van de Ratio‘ verwijst naar de laatste dronk van Christus, omringd door twaalf discipelen, in een Romeins aandoende ruimte, de opgeheven hand ontleend aan barokke voorbeelden Caravaggio (1571-1710) met een presentatie geïnspireerd op Nicolas Poussin (1594-1665). David neemt hier politiek stelling met een historische allegorie. Zijn ‘De dood van Marat‘ en ‘Het vlot van de Medusa‘ van Théodore Géricault (1791-1824) beelden actuele politieke gebeurtenissen uit. Waar in die schilderijen de anatomisch perfecte figuren helden worden, geldt dat niet voor het werk van Francisco Goya en Eugène Delacroix‘s ‘Het bloedbad van Chios

Onderdeel van het bouwwerk

De moderne variant van het historiestuk kreeg zo een politieke lading. In ‘De apotheose van Homerus van Jean-Auguste-Dominique Ingres‘ spelen heden en verleden door elkaar, met figuren uit het verre en recente verleden en prominente plaatsen voor Rafaël en Poussin. In de 19de eeuw wordt rijkelijk geput uit historiestukken en verhalende wanddecoraties. Legitimiteit wordt ontleend aan overeenkomsten met een legendarisch verleden waarop de identiteit van de opdrachtgever of de gebruiker wordt geprojecteerd. Net als in de architectuur is de basiscompositie klassiek, terwijl de gewenste associatie wordt bereikt door afbeelding van historische personen en voorwerpen.

Tot slot

The Chrystal Palace is het sleutelmoment van de 19de-eeuwse architectuurgeschiedenis en werd gebouwd voor de wereldtentoonstelling van 1851 op initiatief van de Engelse prins-gemaal Albert man van Koningin Victoria. Toen hij in 1861 werd vanaf 1863 gebouwd aan het Albert Memorial. George Gilbert Scott (1811-1878) ontwierp een gotisch baldakijn op een basis van trappen en reliëfs ontworpen door Henry Hugh Armstead (1828-1905). Het werk is duidelijk historiserend met gedaanten van schilders, beeldhouwers en architecten in classicistische stijl. Zo is er het contrast tussen de stijl die aan het einde loopt en de eigentijdse weergave en verbeelding van de werkelijkheid zonder beroep op de historie.

Samenstelling en Redactie Mieke Rijnders en Patricia van Ulzen

 Rudi Rolf

MvK02 – Rubricering

Begrip van kunst kan niet zonder kader, bijvoorbeeld chronologie als kader voor bestudering van de ontwikkeling. Maar één enkele rubriek kan niet volstaan. Herkomst, functie en techniek kunnen bijvoorbeeld een chronologisch kader onbruikbaar maken.

MvK03 – Kunst en context

Het begrip context – tijd en plaatsgebonden elementen – wordt geïllustreerd aan de hand van twee monumentale werken, gemaakt in opdracht van een vorstelijk heerser, Cosimo I de’Medici (1519-1574), bedoeld voor de openbare ruimte, het Pallazio della Signoria, ook wel Palazzao Vecchio in Florence.

MvK05 – Artistieke expressie en maatschappelijke functies

Het is binnen de Westerse cultuur algemeen geaccepteerd dat de Grieks-Romeinse oudheid haar bakermat is. Preciezer, onder ‘klassiek’ wordt verstaan: de Griekse cultuur van de 5e en 4e eeuw v.Chr. en de Romeinse van de 1e eeuw v.Chr. en de 2e eeuw n.Chr.

MvK06 – Kopie en navolging in het middeleeuwse bouwen

Stenen kerkgebouwen behoren tot de belangrijkste materiële overblijfselen van de middeleeuwen. Dit hoofdstuk gaat over de belangrijkste personen die bij de kerkbouw betrokken waren. Zij streefden bewust verwantschappen na met andere gebouwen, op verschillende manieren en niveaus.

MvK10 – Klassieke vormen en maatverhoudingen in de architectuur

De klassieke oudheid heeft in de ontwikkeling van de bouwkunst een grote rol gespeeld. Het gaat hier om architectuur in de periode 1420 tot 1750 en wel om het beroep dat in de architectuur van de renaissance, barok en rococo op de bouwkunst van de Romeinen is gedaan

MvK11 – Grafmonumenten

Sarcofaag van Junius Bassus | 359 https://youtu.be/YUzsxLi43gE Grafmonumenten Inleiding Hier ligt Poot, hij is dood. De Schoolmeester Hiermee is aangegeven waar het bij...

MvK13 – Vorm, identiteit en stijl in de architectuur en de beeldende kunst in de 19e eeuw

In de 19e eeuw stelt de architectuur zich voor de uitdaging om vorm en functie overeen te laten komen. In combinatie met de grootschalige infrastructurele projecten ontstaat zo een samenhangend, herkenbaar geheel, dat zijn oorsprong vindt in de vervlechting van beginselen uit de 17e en 18e eeuw. De zeggingskracht die de beeldende kunst bijdroeg aan die gebouwen was aanmerkelijk groter dan de architectonische.

MvK14 – Stijlvernieuwing als overlevingsstrategie

Concertgebouw, Amsterdam | 10 november 1902 | Jacob Olie Stijlvernieuwing als overlevingsstrategie Inleiding Een architect is een kunstenaar die zichzelf ook moet...

MvK15 – Leugens, waarder dan de letterlijke waarheid – de verbeelding van de werkelijkheid

The Hay Wain | John Constable |1821 Willy Lot's Cottage nu 'Leugens, waarder dan de letterlijke waarheid' de verbeelding van de werkelijkheid Inleiding Tweede helft 19e...

MvK16 – Van Matisse tot Newman

Female Lovers | Egon Schiele | 1915 Van Matisse tot Newman Inleiding De geschiedenis van de kunst van de eerste helft van de 20e eeuw wordt over het algemeen gezien als...

MvK17 – Vlucht uit het reservaat

Kunstvoorwerpen zijn vooral te bewonderen in musea. Dat was vroeger niet zo, of toch veel minder. Kunstenaars ervoeren voor- en nadelen. Voordeel is de beschermde wereld waar ze naar hartenlust konden experimenteren. Nadeel was dat contact met de rest van de maatschappij moeilijker werd en aan invloed verloor.

MvK18 – De stromingen voorbij

Chronologie en groepering naar lokale, regionale of nationale scholen zijn sinds Giorgio Vasari eeuwenlang de belangrijkste ordeningsprincipes geweest. Voorbeeld zijn de werken van Ernst Gombrich en Janson. Stijlbenamingen zijn doorgaans veel later ontstaan dan de kunst waarop ze betrekking hebben. Pas vanaf circa late 18e eeuw ontstaan vastere vormen.

Print Friendly, PDF & Email