Select Page

Manieren van kijken

Kopie en navolging in het middeleeuwse bouwen
Bekijk

Architectonische aspecten kruiskerk

Onderdelen kruiskerk
apsischevetcryptedoksaaldoopkapelhoogkoorkerktorenkloostergangkooromgangkoorsluitingkruisingnarthexoksaalpandhofpriesterkoorschipspitsstraalkapeltranseptvieringtorenwestwerkzijbeukzijkapel

Bouwkundige onderdelen
arcadebeukboogkapiteelkoepelkraagsteenkruispijlerlichtbeukluchtboogluchtboogstoelpijlerscheiboogsteunbeertraveetriforiumuizadeldakzuil

Gewelfvormen
koepelgewelfkruisgewelfkruisribgewelfnetgewelfspitstongewelfstergewelfstraalgewelftongewelf – waaiergewelf

Onderdelen gewelf
diagonaalribgewelfschotelgordelbooglierne
muraalboogsluitringsluitsteentierceron

Decoratieve onderdelen
archivoltcommuniebankdakruiterfrontaalgebrandschilderd glasglas in loodhogelkoorhekkruisbloemlantaarnmaaswerkpinakelregisterroosvenstertimpaanwaterspuwerzwik

Kopie en navolging in het middeleeuwse bouwen

Stenen kerkgebouwen behoren tot de belangrijkste materiële overblijfselen van de middeleeuwen. De belangrijkste personen die bij de kerkbouw betrokken waren streefden bewust verwantschappen na met andere gebouwen, op verschillende manieren en niveaus. Hun functionele en ideële betekenis wordt hieronder belicht vanuit de invalshoek van het overwelven in steen, vanuit het toepassen van de centraalbouwvorm en vanuit de verwijzing van kerken naar het hemelse Jeruzalem en de tempel van Salomo.

Opdrachtgevers en architecten – hun voorbeelden en doelen

Globaal vier personen waren betrokken bij de bouw van een kerk:

  1. de opdrachtgever, ook wel bouwheer, die de bouw financierde;
  2. de ‘architect’, die het idee leverde voor de plattegrond en de opstand (het verticale ontwerp);
  3. de meestersteenhouwer of -metselaar die dit idee omzette in hanteerbare aanwijzingen voor de bouwlieden;
  4. en de groep bouwlieden ofwel ‘bouwloods’ (alle ambachtslieden tezamen).

De rollen waren niet altijd precies zo bepaald. De opdrachtgever was ook weleens de architect, zoals keizer Frederik II met zijn jachtslot Castel del Monte of bisschoppen en abten. Die hadden de benodigde opleiding en kenden wiskunde. De bouwloods had een eigen ‘handtekening’ en bepaalde daarmee grotendeels de stijl.

In de schriftelijke bronnen worden de opdrachtgevers en architecten het meest genoemd, begrijpelijk gezien hun hoge status. De meestersteenhouwer, die de ideeën kon omzetten in werktekeningen en mallen, is zo goed als onzichtbaar. Vanaf de 12e eeuw ontwikkelden zich uit deze groep de ‘bouwmeesterarchitecten’, die de technische problemen probeerden te overwinnen en de bouwplaatsen afreisden. Het werd ook steeds meer hun verantwoordelijkheid om geschikte voorbeelden aan te leveren. Daardoor werden ze steeds belangrijker (verg. huidige architect). Helaas staan ons zeer weinig bronnen ter beschikking hoe ze te werk gingen. Wel biedt het schetsboek uit 1235, van de Picardische bouwmeester Villard de Honnecourt,  inzicht in de werkwijze en de beroepstrots van zijn beroepsgroep. Hij heeft veel gezien en overgenomen van overal. Dat brengt ons bij het belang van voorbeelden (kopie en navolging).

Verwantschappen tussen gebouwen kunnen op verschillende manieren ontstaan. Van laag tot hoog niveau:

  1. de bouwloods – werkt in een bepaalde stijl en past deze tijdens een volgende bouw weer toe.
  2. de bouwmeesterarchitecten konden door hun reizen putten uit een ruim repertoire aan vormen en technische constructies. Hierdoor ontstaan stilistische overeenkomsten. Ook werden vanaf de vroege middeleeuwen bouwlieden en ontwerpers van ver gehaald. Daardoor konden (en niet alleen bij gotische kerkgebouwen) constructies of een bepaalde vormentaal over een grote afstand verspreid raken.
  3. op het hoogste niveau, waar hoge geestelijken of goed opgeleide leken bij de bouw betrokken waren.

Gezien hun hoge status, waren de gebouwen monumenten die representatief moesten zijn voor de (gewenste) maatschappelijke positie van de bouwheer en zijn politieke stellingname, opvallend of minder zichtbaar. Ze konden verwijzen naar andere gebouwen, bijv. naar de Akense Paltskapel (afb. 3a-b en 4), zoals de kerk van het Benedictinessenklooster te Ottmarsheim in de Elzas (D) van ca. 1030. Van de Damenstiftskirche te Essen (afb. 26) nu onderdeel van de Münsterkerk, is het inwendige van de westbouw (1001-1058) uitgevoerd met drie traveeën (de afstand tussen twee steunpuntassen – dragende pijlers of zuilen – i.h.a. synoniem voor het gewelfjuk) van de Akense achthoek, die daarbij tot in detail is geciteerd.

Ook werd wel minder zichtbaar verwezen naar bestaande of uit de bijbel bekende gebouwen. De maatvoering van de tempel van Salomo of verwijzing naar het Hemelse Jeruzalem, in de vorm van in kapitelen (kopstuk van pijler) of anderszins ingemetselde relieken of edelstenen. Abstract verwijzend naar een andere, hemelse werkelijkheid.

De verschillende niveaus kunnen allemaal tegelijk zijn toegepast.
Hoewel stijl in de eerste plaats de handtekening van de bouwloods was, zijn er vaak met opzet archaïsche stilistische kenmerken toegepast. Dat was ook een manier de bedoeling te verduidelijken. Schriftelijke bronnen kunnen behulpzaam zijn, maar zijn ook vaak verklaringen achteraf. Het gebouw zelf is de voornaamste bron.

Hierna zullen drie aspecten van de middeleeuwse kerkbouw in steen worden uitgewerkt.

  1. De manier waarop de techniek van het in steen overwelven van kerken in de loop van de tijd veranderde en verspreid werd, waarbij oude technieken dus weer in de mode konden raken.
  2. De manier waarop een bepaalde plattegrond, de centraalbouw, bij voorname kerken is toegepast en veelvuldig gekopieerd (kopiebegrip en het denken in allegorieën).
  3. De meest abstracte vorm van verbeelding wordt uitgewerkt, de al dan niet zichtbare verwijzingen naar het Hemelse Jeruzalem en zijn belangrijkste gebouw, de tempel van Salomo.

Gewelven, technieken, vorm en functie

Voor de West-Europese architectuurgeschiedenis zijn vooral de verworvenheden van de Romeinen van belang. Zij pasten ton-, kruis- en koepelgewelven voor het eerst op grote schaal toe en slaagden erin grote ruimten als thermen en basilica’s in steen te overspannen. De benodigde vaardigheid, kennis en organisatie van de bouwplaats werd complexer naarmate het gewelf groter was. De bouwmeester moest de krachten kennen die op de constructie inwerkten, veroorzaakt door de vorm en het gewicht van het gewelf. Welke kromming het gewelf moest hebben, welke materialen (zo licht mogelijk) hij het beste kon gebruiken en hoe de mortel samengesteld moest worden.

Daarnaast moest hij in staat zijn om hulpconstructies te maken, zogenaamde formelen – eigenlijk de mal van het gewelf – die de vorm van het gewelf bepalen en het ondersteunen tot de mortel is uitgehard. Hij moest niet alleen kennis hebben van de gewelf constructie, maar ook van de rest van het gebouw, dat het gewicht van het gewelf moest dragen en de zijwaartse druk, de zogenaamde spatkrachten moest kunnen opvangen. Daarnaast moesten de ondergrond stabiel en de funderingen voldoende zwaar zijn. Bovendien moest het werk efficiënt verlopen. De bouw van een middeleeuwse kerk drukte op kleinere gemeenschappen en kon zich daardoor over jaren uitstrekken.

Romeinse voorbeelden van gewelven:

  1. koepelgewelf – Pantheon (afb. 5 a-c), ronde plattegrond, met cassetten verfraaid koepelgewelf (43,3 m), met open kruin;
  2. kruis- en tongewelf – basilica van Maxentius en Constantijn in Rome (afb. 6.6), nu een ruïne; het tongewelf dat met cassetten is versierd is nog aanwezig op bepaalde stukken en in de middenbeuk hebben kruisgewelven gezeten, die ook met cassetten versierd waren;
  3. de Romeinen pasten ook betonnen gewelven toe met behulp van een tijdelijke houten constructie, die na uitharding werd weggehaald. Bij grote gewelven zijn ter versteviging bakstenen ribben geïntegreerd (kruisribgewelf).

Bouwen in steen

Aan het einde van de 5de eeuw kwam het West-Romeinse rijk ten val leidend tot de Grote Volksverhuizing. Het veroorzaakt een teruglopen van bouwactiviteiten, waardoor veel bouwtechnische kennis verloren ging, alsmede de benodigde economische infrastructuur. Zonder zo’n onderbreking kwam men in het Oost-Romeinse rijk tot geweldige architectonische prestaties. Bijvoorbeeld de Hagia Sophia in Istanbul (532-537, nr. 8). De vierkante centrale ruimte van deze kerk wordt overkluisd door een enorm met ribben verstevigd koepelgewelf van Ø 31 m. Pendentieven (boldriehoeken) vormen de overgang van de ronde grondslag van de koepel naar de vierkante onderbouw, waarvan op de hoeken vier reusachtige pijlers de constructie dragen (afb. 7).

Bij de kleinere, maar ook nog zeer monumentale, Sergius- en Bacchuskerk, een centraalbouw, wordt de centrale achthoekige ruimte ook overwelfd door een – ribloze – koepel. Dergelijke constructies werden in het westen niet meer verwezenlijkt, afgezien van baptisteria (doopkapellen) en kapellen met koepel- en kruisgewelven. Wel verrees in Ravenna, dat omstreeks 540 deel ging uitmaken van het Byzantijnse rijk, de San Vitale (afb. 8), net als de Sergius- en Bacchuskerk een (octogonale) achthoekige centraalbouw dat door een koepelgewelf werd overkluisd.

Na 600 hield het bouwen van gewelven op. De kennis van het bouwen in steen, in het bijzonder in het construeren van bouwtechnisch vrij complexe gewelven, zal zich pas in de loop van de middeleeuwen herontwikkelen. Desalniettemin zijn er weinig gebouwen uit de vroege middeleeuwen bewaard gebleven. Het beeld van wat er tussen 500 en 800 is gebouwd is bijzonder vaag. Bovendien lijkt er sprake van continuering van het gebruik van plaatsen, waar Romeinse instellingen en de bijbehorende gebouwen enigszins intact bleven, zoals in Frankrijk en Italië. Daar ontbrak de stimulans tot nieuwbouw lange tijd.

In de vroege middeleeuwen betekende het aantreden van de Karolingische vorsten een belangrijke impuls voor bouwactiviteiten in Noord-Europa. Ze probeerden zich met prestigieuze projecten te legitimeren als opvolgers van de Romeinse keizers. Vooral tijdens het bestuur van Karel de Grote (747 of 748 – 814) kwamen er grote kerkelijke complexen tot stand, die praktisch geen van alle voorzien waren van een grootschalige overwelving. Of dit het gevolg was van een gebrek aan kennis, is de vraag. Het grote kloostergewelf van de Paltskapel in Aken (790-805, nr. 10, Ø 14,5 m) naar Byzantijns voorbeeld (San Vitale) bewijst dat men wel degelijk in staat was grote gewelven te slaan. Het over het algemeen ontbreken van deze constructies in de Karolingische bouwkunst kan eerder worden verklaard, doordat men zich bij de formulering van het bouwconcept meestal op vroegchristelijke voorbeelden richtte. De kerken die in Rome werden gebouwd tijdens Constantijn de Grote (328-337) – de eerste keizer die de christelijke religie openlijk steunde – waren in de regel niet overwelfde, maar toch monumentale basilica’s. Deze gebouwen werden in de Karolingische tijd als zeer navolgenswaardig beschouwd. Vooral de Sint-Pieterskerk in Rome boven Petrus’ graf (afb. 9).

Vanaf 1050 komt het gewelf als overdekkingsmiddel van met name kerken, weer in zwang, al was tot de 13de eeuw een stenen overwelving niet altijd vanzelfsprekend. Het stenen gewelf had naast constructieve problemen ook een aantal belangrijke voordelen. Grotere brandveiligheid en betere akoestiek. Bovendien zag het gebouw er monumentaler uit.

Gedurende de middeleeuwen werd gebruik gemaakt van gewelftypen, die de Romeinen ook vaak hadden gebruikt. Veruit de belangrijkste waren: koepel-, ton- en kruisgewelf.

Het koepelgewelf

Het koepelgewelf heeft de vorm van een halve bol en dus een ronde grondslag. Bij de bouw werd meestal een parapluvormig formeel gebruikt, een tijdelijke houten constructie die aan de buitenzijde de vorm van het gewelf heeft – feitelijk dus een mal – waarover de eigenlijke gewelf constructie kan worden gemetseld. Grote koepels, zoals de Hagia Sophia, zijn voorzien van ribben die het gewelf ondersteunen (afb. 7).

Soms is de koepel direct op het muurwerk van het gebouw geplaatst, maar er kan ook sprake zijn van een tamboer (ringvormige of polygonale onderbouw waarop een koepel rust), waarin vensters zijn uitgespaard. Of op een onderbouw met vierkante grondslag. Dan komen er pendentieven (holle gewelfzwikken of trompen). Dan snijdt men de binnenhoeken van de travee (gewelfvlak tussen de pijlers) af door middel van sferische (bol)driehoeken. Het resultaat is een vloeiende overgang van de vierkante travee naar de ronde koepelgrondslag.

Met name vóór 1200 werd de koepel in West-Europa in allerlei variaties toegepast, zoals de kathedraal van Saint-Front in de Périgueux (afb. 10), een Grieks kruis (armen van gelijke lengte), één centrale travee, die door even grote traveeën wordt geflankeerd. Over deze vijf vierkante traveeën zijn koepels op pendentieven geslagen. Volledig met koepels overkluisd komt niet vaak voor. Vooral in de romaanse bouwkunst werd dit gewelftype vaker in andere bouwdelen toegepast, zoals in de apsis (een half koepelgewelf, de zoegnaamde apsiskalot). Of boven het vieringvak van de kerk, met name als er een vieringtoren was geplaatst zoals bij de Saint-Philibert abdij in Tournus (1008-ca. 1100, afb. 11). Dit is ook een goed voorbeeld van een koepel op trompen. Een kloostergewelf is toegepast in de Paltskapel te Aken, op achthoekige grondslag, en bij het Baptisterium San Giovanni (5de-6de eeuw en/of 1ste helft 11de eeuw, nr. 12). Meloengewelven zijn ook koepelgewelven. Voorbeelden: Nicolaïkerk in Appingedam en de Donatuskerk in het nabijgelegen Leermens.

Het tongewelf

Deze overkapping werd tussen circa 1000 en 1200 toegepast en dankt zijn naam aan de halfronde vorm, meestal over de te overwelven ruimte geslagen met behulp van een formeel. Het in de lengterichting van het gebouw geplaatste tongewelf rust op de langswanden van het gebouw, die het gewicht over hun volle lengte dragen. In verband met de spatkrachten (de zijwaartse druk) moeten de langswanden zwaar zijn uitgevoerd. Daarom zitten er meestal geen ramen in de muren. De lichtbeuk – de vensterzone die boven de zijbeuken uitsteekt), die bij meerbeukige kerken met een houten overdekking (zoals de Romeinse basilica) vrijwel altijd aanwezig is, ontbreekt soms in kerken met een tongewelf (abdijkerk van Saint-Savin-sur-Gartempe. afb. 12). Om het tongewelf niet te zwaar te maken, is het schip smal uitgevoerd. Het gewelf ligt direct op de zware, door zuilen gedragen arcade (een reeks bogen of de overwelfde ruimte daarachter, gaanderij). De spatkrachten worden tevens opgevangen door de hoge, met kruisgewelven overkluisde zijbeuken. Omdat de lichtbeuk ontbreekt, maar de middenbeuk toch hoger is dan de zijbeuken, is dit een pseudobasiliek, net als de cisterciënzer abdij van Fontenay (1130-1147, afb. 13, nr. 13).

Bij deze laatste kerk is het tongewelf voorzien van gordelbogen (scheidt ook vaak de traveeën), een wel vaker toegepaste techniek. Die werden op regelmatige afstand (ook ter versteviging) onder het tongewelf geslagen. De boog komt niet op de langsmuur uit, maar wordt gedragen door tegen de muren geplaatste pilasters (met basement, schacht en kapiteel) of halfzuilen (halve pijler in de muur), die tot de fundering doorlopen of uitkomen op de pijlers van de arcaden.

Het kruisgewelf

Het kruisgewelf is opgebouwd uit twee gelijke, elkaar (op de graat → snijlijn) kruisende tongewelven. Er zijn 4 graten die samenkomen in een kruin, het hoogste punt. Ook dit werd geconstrueerd met behulp van formelen. Eenzelfde bouwwijze als bij het kloostergewelf, hoewel de graten daar dieper liggen. Belangrijke voordelen boven het tongewelf zijn dat het gewicht en de spatkrachten van de kruisende tonnen op de graten worden geconcentreerd en via deze naar de hoekpunten of dragers van het gewelf leiden. Niet langer is er dan druk op de hele lengte van de muur, maar op een steunpunt, dat om die reden extra zwaar is uitgevoerd, vaak in de vorm van een pilaster of halfzuil. Het tussenliggende muurwerk kan dan lichter zijn en (groter) bevensterd.

De Dom van Speyer is bijvoorbeeld volledig met grote kruisgewelven uitgevoerd (afb. 14), het schip is 15 meter breed en tot de kruin 30 meter hoog. Gewelfvlakken zijn gescheiden door zware gordelbogen, die de gewelfkappen tegelijkertijd in de dwarsrichting ondersteunen. Net als de graten komen zij uit op zware halfzuilen met kapitelen die aan de pijlers van het schip tot op de vloer doorlopen. Onder muraalbogen (of schildboog – tegen een dragende muur geplaatst, ter ondersteuning van het gewelf), die de gewelfkappen in de lengterichting ondersteunen, zijn in het muurwerk grote vensters uitgespaard, de lichtbeuk. De keizerlijke status maakte het gebouw in het Heilige Roomse Rijk vooral in de 11de en 12de eeuw zeer navolgenswaardig. Vaak nagebootst door (kerk)vorsten i.v.m. keizerlijk prestige. De bouw van Speyer heeft de toepassing van gewelven elders gestimuleerd.

Het kruisribgewelf

Het kruisribgewelf is een variant van het kruisgewelf (na 1200 alom tegenwoordig). De graten zijn vervangen door ribben. Graten ontstaan vanzelf tijdens het metselen van twee elkaar kruisende tongewelven. Gewelfribben worden gebouwd voordat de gewelfkappen werden gemetseld (afb. 15a). Voor een vierdelig gewelf werden vier formelen, aan de onderkant in het muurwerk verankerd en aan de bovenzijde aan elkaar bevestigd (afb. 15b). Na de bouw van de ribben werd in de kruin een zware sluitsteen op de formelen neergelaten en uit de hand de gewelfkappen of gewelfschalen gebouwd (afb. 15c).

Gewelfribben dragen niet het gewicht van de gewelfschalen. Deze zijn zelfdragend. Ribben hebben vooral tijdens de bouw een ondersteunende functie, waardoor de constructie wordt vergemakkelijkt. De ribben spelen ook een esthetische rol. Meestal zijn ze voorzien van een profilering.

In de latere middeleeuwen werden de gewelven vooral in Engelse en Duitse kerken door ingewikkelde, door gewelfribben gevormde patronen opgesierd. De hoofdribben worden dan aangevuld met hulpribben, de tierceron (hulprib, niet uitkomend in het middelpunt) en de lierne (verbindingsrib). Het levert fraaie patronen op. Men spreekt dan van ster-, net- en waaiergewelven.

In de Heilig-Kruiskerk in Schwäbisch-Gmünd vindt men een combinatie van een ster- en netgewelf. Waaiergewelven komt men veel tegen in Engelse kerken, zoals de kathedraal van Norwich. Hoewel het kruisribgewelf aan het einde van de 11de eeuw in de romaanse bouwtrant zijn intrede deed, komt het pas in zwang in de gotische bouwstijl, die in de 12de eeuw in de kroondomeinen van de Franse koning werd geconcipieerd.

In het gotische (kerk)gebouw is het kruisribgewelf een vrijwel vast bestanddeel van het bouwconcept, het is ethisch-prestigieus (monumentaliteit) en onlosmakelijk met de gotische constructiewijze verbonden. Door dit gewelftype kan de druk als nooit tevoren op de plaats waar de ribben op het muurwerk uitkwamen, worden geconcentreerd.

In het interieur konden daardoor pijlers als bundelpijler of samengestelde pijler (om bogen of ribben uit verschillende richtingen op te vangen) worden uitgevoerd. De spatkracht van het gewelf over het middenschip kon buiten onder de dakrand door een systeem van steunberen en luchtbogen worden opgevangen (afb. 18). Het muurwerk onder de gewelfkappen en tussen de steunpunten kon licht worden uitgevoerd en worden voorzien van gebrandschilderde vensters.

De koninklijke abdij van Saint-Denis bij Parijs was het eerste gotische kerkgebouw (abt Suger, begin 12de eeuw). Het was van meet af aan gepland om in zijn geheel met stenen te overwelven. Alleen de tweetorenfaçade en het koor werden voltooid. De façade en de kapellenkrans (afb. 19) zijn in de 13de eeuw geïntegreerd in de nieuwbouw. Als grafkerk heeft het een gelijkwaardige status als de Dom van Speyer. De uitstraling was zo groot dat in de 12de en 13de eeuw een groot aantal abdijkerken werden vervangen door gotische gebouwen. De onderdelen van het gebouw werden steeds beter op elkaar afgestemd, zodat, waarschijnlijk in een drang tot overtreffen, de constructie van steeds hogere en grotere vensters mogelijk werd.

Top van de ribgewelf hoofdbeuk
Kathedraal Bouwjaar Hoogte
Kathedraal van Sens 1140 24,4 m
Notre-Dame van Parijs 1162 32,5 m
Kathedraal van Chartres 1194 36,5 m (Nr. 14)
Notre-Dame van Amiens 1218 42,3 m
Kathedraal van Beauvais 1272 46,7 m

Nadat het koor van de kathedraal van Beauvais door een constructiefout was ingestort, kwam aan deze competitie een einde.

Aken en Jeruzalem als ideale voorbeelden

De plattegrond van het Baptisterium van Florence (afb. 21) en de Paltskapel te Aken (afb. 3a-b) zijn beide centraliserend. Maar er is een groot verschil in de wanddecoratie. Meer voor de hand ligt een vergelijking van het Baptisterium met de San Miniato in Florence (12de eeuw, afb. 20). Ook met het oog op de ruimtelijke structuur vallen grote verschillen op tussen het Baptisterium en de Paltskapel. Een centrale octogoon omgeven door een 16-hoekige omgang met galerij bij de Paltskapel t.o.v. een dubbelschalige omgrenzing van de centrale ruimte in Florence. Er is dus slechts de vage overeenkomst van een polygonale structuur net een uitspringend ‘koor’.

Beide gebouwen zijn – net als de San Vitale te Ravenna (afb. 8, nr. 9) – vormen van centraliserende christelijk-religieuze gebouwen, een type dat een lange traditie heeft en voorchristelijke voorgangers heeft in heidense mausolea en heiligdommen voor bepaalde godheden. Maar daarmee is er nog geen speciale relatie gelegd tussen ‘Florence’ en ‘Aken’. De overeenkomst tussen de Paltskapel Aken en de kapel van het bisschoppelijk paleis te Hereford zit minder in de bouw dan in de functie. Dit wordt duidelijk als we de middeleeuwse navolgingen van de Akense kapel bekijken. Het gaat vaak om kapellen in een residentie van een vorst, bisschop of heer. Ook de functie van grafkerk werd vaker overgenomen, zoals bijvoorbeeld in de Alter Turm van Mettlach. De functie is echter niet doorslaggevend. Een vergelijking met Aken was een eer voor de bouwheer. Aken was van Karel de Grote, de grootste vorst uit de middeleeuwen. De Paltskapel was bij uitstek het gebouw waaraan politieke aspiraties gespiegeld konden worden.

De architecturale verwijzing zit niet in exacte navolging. Die kan ook in een selectie van elementen schuilen. En ook niet in de overname van gebouwonderdelen of plattegrond: ook de maten van een gebouw werden gekopieerd. Belangrijk in de middeleeuwen waren getallen, zij werden geacht in hun onderlinge verhoudingen een door God geschapen wereldorde te openbaren.

Getallensymboliek is bij uitstek aan de orde bij twee gebouwencomplexen die zich door hun bijbelse context onderscheiden van anderen. De tempel van Salomo werd door de middeleeuwer geïdentificeerd met de Rotskoepel (691-692, afb. 23a-b en 24), die is opgericht op de plaats van de verwoeste tempel. Hoewel de beschrijving in het Oude Testament zeer diffuus was, werd met name de Paltskapel gezien als een navolging van dit bijbelse bouwwerk. Het tweede complex dat heel vaak werd nagevolgd is het heiligdom rond het graf van Christus in Jeruzalem, de Anastasis-rotonde (afb. 25), bijvoorbeeld met de Heilig-Grafkerk in Paderborn. Het was blijkbaar voldoende enkele getallen over te nemen, die ontleend waren aan kenmerken of belangrijke onderdelen van het desbetreffende gebouw, wat niet per se een getrouwe kopie opleverde.

Behalve afmetingen werden ook getallen overgenomen die met het gebouw geassocieerd waren. Met name het aantal zuilen of pijlers kon een verwijzing inhouden naar bijvoorbeeld het Heilig-Grafcomplex in Jeruzalem of de tempel van Salomo. Vaak echter werden dergelijke getallen op meer wijzen geduid – het getal 12 voor de 12 apostelen. Of de symbolische duiding werd pas later geïntroduceerd.

Een selectie van een of meer kenmerkende karakteristieke aspecten was dus voldoende om een gebouw als een Aken-kopie te kenmerken. Voor de bouwer was het voldoende een enkel element over te nemen teneinde het gehele bouwwerk ‘aanwezig te laten zijn’ in de kopie. Een opmerkelijk voorbeeld van een dergelijke vorm van navolging zien we in de Damenstiftkirche, waarvan het restant is ingebouwd in de klooster- of Munsterkerk van Essen (afb. 26). Daar zijn drie zijden van de binnengeleding van het centrale octogoon van de Paltskapel letterlijk gekopieerd als westkoor. Bij de Alter Turm in Mettlach aan de Saarwilde men, zo blijkt uit een descriptio, bijvoorbeeld de toren van de Paltskapel in Aken navolgen.

Betekenislagen: kopie en vooraankondiging

Er is veel navolging, maar waar komt de architectuur van Aken zelf vandaan? De ruimtelijke structuur is vergelijkbaar met de San Vitale (afb. 8, nr. 9) in Ravenna, maar de bouwkundige structuur vertoont grote verschillen. Voor de gewelfstructuur van Aken kennen we geen voorbeeld. Bovendien is de overwelving van omloop en galerijen zeer origineel en veel ingewikkelder dan in de San Vitale. In de San Vitale zien wij een systeem van (half)koepels en tongewelven, dat we ook tegenkomen in de Sergius- en Bacchuskerk en in de Hagia Sophia (afb. 7). Hierdoor ontstaat een effect van ruimtelijke eenheid, dat in Aken ontbreekt. Ondanks de verschillen tussen de twee gebouwen pleit de politieke context ten tijde van Karels bouwactiviteit voor een bewuste receptie van de San Vitale. Het Oost-Romeinse rijk, dat zijn gebiedsdelen in het westen liet besturen door een stadhouder vanuit Ravenna (het exarchaat van Ravenna), was het concrete referentiepunt bij Karels streven naar een hernieuwing van het Romeinse rijk, de renovatio imperiBij dit streven, met zorg gadegeslagen vanuit Constantinopel, paste het gebruik van ‘Romeinse’ architectuur, en als zodanig kon de San Vitale gelden.

Maar ook in het Akense complex zijn meerdere betekenislagen te vinden. Volgens de monnik Notker Balbalus uit Sankt Gallen (9e eeuw) zou Aken gebouwd zijn naar Karels eigen ontwerp en volgens het voorbeeld van de allerwijste Salomo. Zoals we zagen gold de Rotskoepel van de kalief als de tempel van Salomo, volgens het voorbeeld van Salomo’s tempel, dat niet toevallig een achtzijdige centraalbouw met koepelgewelf was.

De tegenwoordigstelling van het ene bouwwerk in het andere was het doel van de kopie. Overigens blijft dit verschijnsel niet beperkt tot de middeleeuwen. Bijvoorbeeld het Bijbels Openluchtmuseum bij Nijmegen, waar men langs nagebouwde bekende plaatsen uit de bijbel wordt gevoerd. Het is nu een themapark, maar was in de jaren ’30 bedoeld als een centrum van devotie. Er zijn natuurlijk ook belangrijke verschillen met de middeleeuwen. Wij zijn geneigd de tegenwoordigstelling vooral te zoeken in visuele aspecten, maar die kon ook liggen in minder opvallende dingen als getal en maat, zaken die voor de middeleeuwer niet van minder belang waren. Het belangrijkste element was in het geheel niet zichtbaar: de naam van de kerk of de patroonheilige aan wie de kerk was gewijd. Menig bouwwerk werd Jeruzalem genoemd. We kunnen concluderen dat totale gelijkenis niet werd gerealiseerd en dat ‘gelijkenis’ of ‘kopie’ niet alleen in visuele termen moet worden gezien. Minstens zo belangrijk zijn maat en getal, naam en patroonheilige. De architecturale vorm is maar één aspect van het verschijnsel navolging. Omgekeerd: het gebouw is meer dan een poging tot gelijkenis: het is de stenen neerslag van een geheel van voorstellingen.

Dit alles past in een wereld die doordrenkt is van het besef dat het nieuwe gelegitimeerd moet worden door het reeds bestaande: ‘Nihil innovertus nisi quad traditum’ (niets mag worden vernieuwd dan wat reeds overgeleverd is). Anderzijds werd hetgeen gebouwd werd weer gezien als een voorafkondiging van wat komen gaat: het Oude Testament en het Hemelse Jeruzalem zijn de polen waartussen het middeleeuwse kopiebegrip zich ontwikkelde. Men trachtte niet alleen het oude na te volgen, maar ook dat wat nog gebouwd moest worden: het ultieme gebouw, het Hemelse Jeruzalem.

De kerk als afbeelding van het hemelse Jeruzalem

Het kerkgebouw als de stad Gods

 

Links

  • www.joostdevree.nl – Encyclopedie met onderwerpen uit architectuur, bouwkunde en andere bouwgerelateerde zaken van Joost de Vree.

Samenstelling en Redactie Mieke Rijnders en Patricia van Ulzen

Jos Stöver et al

MvK02 – Rubricering

Begrip van kunst kan niet zonder kader, bijvoorbeeld chronologie als kader voor bestudering van de ontwikkeling. Maar één enkele rubriek kan niet volstaan. Herkomst, functie en techniek kunnen bijvoorbeeld een chronologisch kader onbruikbaar maken.

MvK03 – Kunst en context

Het begrip context – tijd en plaatsgebonden elementen – wordt geïllustreerd aan de hand van twee monumentale werken, gemaakt in opdracht van een vorstelijk heerser, Cosimo I de’Medici (1519-1574), bedoeld voor de openbare ruimte, het Pallazio della Signoria, ook wel Palazzao Vecchio in Florence.

MvK05 – Artistieke expressie en maatschappelijke functies

Het is binnen de Westerse cultuur algemeen geaccepteerd dat de Grieks-Romeinse oudheid haar bakermat is. Preciezer, onder ‘klassiek’ wordt verstaan: de Griekse cultuur van de 5e en 4e eeuw v.Chr. en de Romeinse van de 1e eeuw v.Chr. en de 2e eeuw n.Chr.

MvK06 – Kopie en navolging in het middeleeuwse bouwen

Stenen kerkgebouwen behoren tot de belangrijkste materiële overblijfselen van de middeleeuwen. Dit hoofdstuk gaat over de belangrijkste personen die bij de kerkbouw betrokken waren. Zij streefden bewust verwantschappen na met andere gebouwen, op verschillende manieren en niveaus.

MvK10 – Klassieke vormen en maatverhoudingen in de architectuur

De klassieke oudheid heeft in de ontwikkeling van de bouwkunst een grote rol gespeeld. Het gaat hier om architectuur in de periode 1420 tot 1750 en wel om het beroep dat in de architectuur van de renaissance, barok en rococo op de bouwkunst van de Romeinen is gedaan

MvK11 – Grafmonumenten

Sarcofaag van Junius Bassus | 359 https://youtu.be/YUzsxLi43gE Grafmonumenten Inleiding Hier ligt Poot, hij is dood. De Schoolmeester Hiermee is aangegeven waar het bij...

MvK13 – Vorm, identiteit en stijl in de architectuur en de beeldende kunst in de 19e eeuw

In de 19e eeuw stelt de architectuur zich voor de uitdaging om vorm en functie overeen te laten komen. In combinatie met de grootschalige infrastructurele projecten ontstaat zo een samenhangend, herkenbaar geheel, dat zijn oorsprong vindt in de vervlechting van beginselen uit de 17e en 18e eeuw. De zeggingskracht die de beeldende kunst bijdroeg aan die gebouwen was aanmerkelijk groter dan de architectonische.

MvK14 – Stijlvernieuwing als overlevingsstrategie

Concertgebouw, Amsterdam | 10 november 1902 | Jacob Olie Stijlvernieuwing als overlevingsstrategie Inleiding Een architect is een kunstenaar die zichzelf ook moet...

MvK15 – Leugens, waarder dan de letterlijke waarheid – de verbeelding van de werkelijkheid

The Hay Wain | John Constable |1821 Willy Lot's Cottage nu 'Leugens, waarder dan de letterlijke waarheid' de verbeelding van de werkelijkheid Inleiding Tweede helft 19e...

MvK16 – Van Matisse tot Newman

Female Lovers | Egon Schiele | 1915 Van Matisse tot Newman Inleiding De geschiedenis van de kunst van de eerste helft van de 20e eeuw wordt over het algemeen gezien als...

MvK17 – Vlucht uit het reservaat

Kunstvoorwerpen zijn vooral te bewonderen in musea. Dat was vroeger niet zo, of toch veel minder. Kunstenaars ervoeren voor- en nadelen. Voordeel is de beschermde wereld waar ze naar hartenlust konden experimenteren. Nadeel was dat contact met de rest van de maatschappij moeilijker werd en aan invloed verloor.

MvK18 – De stromingen voorbij

Chronologie en groepering naar lokale, regionale of nationale scholen zijn sinds Giorgio Vasari eeuwenlang de belangrijkste ordeningsprincipes geweest. Voorbeeld zijn de werken van Ernst Gombrich en Janson. Stijlbenamingen zijn doorgaans veel later ontstaan dan de kunst waarop ze betrekking hebben. Pas vanaf circa late 18e eeuw ontstaan vastere vormen.

15a. David Macaulay – The Cathedral | plaatsen van de formelen

15b. David Macaulay – The Cathedral | Construeren van de gewelfribben en plaatsen van de sluitsteen

15c. David Macaulay – The Cathedral | Het metselen van de gewelfkappen

Print Friendly, PDF & Email