Select Page

Manieren van kijken

Artistieke expressie en maatschappelijke functies. Beeldhouwkunst in de Grieks-Romeinse oudheid

Laocoön and his sons, also known as the Laocoön Group. Marble, copy after an Hellenistic original from ca. 200 BC. Found in the Baths of Trajan, 1506.

 

Bekijkcopyright

Artistieke expressie en maatschappelijke functies.
Beeldhouwkunst in de Grieks-Romeinse oudheid

Inleiding

Het is binnen de Westerse cultuur algemeen geaccepteerd dat de Grieks-Romeinse oudheid haar bakermat is. Preciezer, onder ‘klassiek’ wordt verstaan: de Griekse cultuur van de 5e en 4e eeuw v.Chr. en de Romeinse van de 1e eeuw v.Chr. en de 2e eeuw n.Chr.

De Beeldhouwkunst staat centraal want

  • ze is beter bestand tegen de tijd dan andere kunstmedia,
  • dankzij het publieke karakter, zijn er veel afbeeldingen en schriftelijke bronnen (ook van wat verloren is gegaan),
  • die veelzijdigheid aan informatie biedt de mogelijkheid om kunstontwikkeling naast maatschappelijke ontwikkeling te bestuderen.

Voorgeschiedenis

Oude Steentijd (35000 – 8000 v. Chr.)

  • wanddecoraties (grotten), kleine figuurtjes van steen, been of hout;
  • Venusfiguurtjes Venus van Hohle Fels/Schelklingen, Schwäbische Alb (afb 1).

Een schets van oudere kunstvormen van vóór de 8e eeuw is onontbeerlijk:

  • de prehistorische culturen in Griekenland;
  • de hoog ontwikkelde samenlevingen in het Nabije Oosten en Egypte.

De vroegste monumentale vrijstaande sculptuur is ontwikkeld in het oostelijk deel van het mediterrane gebied, w.o. Egypte in het 4e en 3e millennium voor Chr. De Oud-Egyptische cultuur (4000 – 2000 v. Chr.) toont sterke nadruk op de gedachte van het voortbestaan na de dood. Het maken van een beeld van de overledene, als substituut voor het lichaam, dat ondanks mummificering, verloren kon gaan. Een replica in duurzaam materiaal als steen of hout zou het voortbestaan beter garanderen. Ze bestaan uit een min of meer generiek lichaam met portretachtige kenmerken in het gelaat, gemaakt volgens een vast schema dat weinig ruimte bood voor individuele kenmerken.

Een belangrijke vernieuwing was de stap naar monumentaliteit: graven op bovenmenselijke schaal (piramides van Cheops, Chefren en Mycerinus (ca. 2551 – 2472 v. Chr. gebouwd). Vroege voorbeelden om d.m.v. monumentale bouwwerken uitdrukking te geven aan de macht over mensen en middelen (tot in de huidige tijd waarneembaar).

In de Oud-Egyptische beeldhouwkunst is de staande figuur een standaardtype, met de ene voet iets voor de andere, en de armen neerhangend naast het lichaam (afb 2). Er werd uitgegaan van een rechthoekig blok steen. Op de vier rechthoekige zijden werden de voor-, achter- en zijaanzichten getekend. De ontwerpschetsen hadden een schaalverdeling van gelijke vierkanten, waardoor vergroting makkelijk werd. Elke zijde werd uitgehakt tot een ruwe versie, vervolgens werden de details (oren, ogen etc.) uitgehakt, waarna het gehele beeld werd gepolijst.

Een ander beeld is de zittende man (hofdignitaris of ambtenaar), ook volgens een vast patroon uitgehakt. De beelden vrijwel altijd mannen, waren slechts gekleed in een lendendoek. Hun functie was uitsluitend funerair, als onderdeel van het geloof in lichamelijke onsterfelijkheid. Beelden die levenden eren of scènes die mythologische verhalen uitbeelden, zijn uit de Oud-Egyptische cultuur niet bekend.

Van nieuwe steentijd tot de archaïsche periode

Tijdens de nieuwe steentijd (ca. 8000-3000 v.Chr.) maakte men kleine figuurtjes (terracotta), vaak vrouwen of dieren (te vergelijken met de Venus van Hohle Fels).

Nieuwe tradities ontstonden in de Bronstijd (ca. 3000 v. Chr. – 1100 v. Chr.). Op de Cycladen (tussen Kreta en het Griekse vasteland) bijvoorbeeld maakte men van wit marmer gestileerde figuren (afb. 3), van 20 á 30 cm. hoog als bijgiften in graven, staande vrouwen en een aantal musicerende figuren zoals fluit- en harpspelers. Ze doen modern aan met U- of V-vormig hoofd. Ook werden schematische beeldjes (Anatolië) gemaakt met een plat, rond lichaam zonder anatomische details, oorspronkelijk beschilderd en getatoeëerd. DeCycladische cultuur is tegen het einde van het 3e millennium verdwenen. De Minoïsche cultuur (ca. 1950 – 1375 v. Chr.) ontstaat op Kreta en is door de Engelse archeoloog Arthur Evans genoemd naar koning Minos. Vanaf ca. 1375 v. Chr. verdwijnt deze en ontstaat in verschillende delen van Griekenland de Myceense cultuur (1375 – 1100 v. Chr.).

Beide culturen produceren kleine sculpturen van terracotta en soms ivoor of hout (niet bewaard gebleven). Ook mensen en (fabel)dieren, vaak vrijstaand, soms in groepsverband en veelal beschilderd, tussen 20 en 30 cm hoog. Onder andere een groep vrouwelijke beeldjes met gedeeltelijk ontbloot bovenlijf en opgeheven armen, waarin kronkelende slangen worden gehouden. Zulke beeldjes worden vooral in heiligdommen gevonden, zowel op heuvels als in paleizen. De sculpturale tradities van de Myceense cultuur zijn anders dan de Minoïsche. Myceense beeldjes zijn vaak van terracotta in twee types, die lijken op:

  • Phi-figuren (Ф)
  • Psi-figuren (ѱ)

Ook deze beeldjes komen voor in heiligdommen. Er is geen monumentale vrijstaande sculptuur, ondanks de vele contacten met het Nabije Oosten en Egypte. In de 12e eeuw raakt de Myceense beschaving in verval door ecologische problemen, bevolkingsdruk en sociale onrust. Dan volgen de zogenaamde Duistere eeuwen (1100-900 v. Chr.), waarvan weinig archeologische resten zijn overgebleven. De Geometrische periode loopt van ca. 900 – 700 v. Chr. Er zijn geen vrijstaande beelden van die periode, wel met geometrische motieven beschilderde vazen. Daarnaast zin er kleine plastische bronzen appliques, vastgezet aan grote bronzen driepoten (Olympia).

Vanaf de 10e eeuw komen er hernieuwde handelscontacten met de beschavingen van het Nabije Oosten en Egypte, die een grote invloed uitoefenen op de opkomende Griekse stadstaten. De nu volgende periode wordt gezien als het feitelijke begin van de Griekse kunst en wordt de archaïsche periode genoemd (700 – 490 v. Chr.), verdeeld in:

  • een vroege, oriëntaliserende periode van 680 – 625 v. Chr.
  • een rijpe periode van 625 – 550 v. Chr. en
  • een late periode  van 550-490 v. Chr.

Kenmerkend voor de oriëntaliserende, vroeg-archaïsche stijl is het op geheel eigen wijze vertalen van vormen en thema’s uit de oriëntaalse culturen. Mythologische figuren, goden (zoals Artemis en Dionysos) en fabeldieren als de griffioen en de sfinx kregen een eigen Griekse vorm en gingen deel uitmaken van de Griekse (westerse) vormentaal.

Aanvankelijk werden houten cultusbeeldjes (xoanon) vervaardigd en opgesteld in kleine, eenvoudige bouwwerken van hout (tempels) of in de open lucht bij altaren of offerplaatsen. Rond het midden van de 7de eeuw ontstonden de eerste grotere vrijstaande stenen beelden in de Griekse wereld. Levensgrote, vrijstaande beelden uit de Egyptische dodencultuur (afb 2) inspireerden de Griekse beeldhouwers tot stenen beelden van jonge mannen (kouros) en met draperieën beklede jonge vrouwen (koré). Ze zijn hoekig, symmetrisch en de anatomische details zijn schematisch en niet realistisch. Ze vertonen een archaïsche glimlach die in de laatste fase verdween. Verdere kenmerken zijn de frontaliteit, naaktheid en de starre plooival.

Deze beelden werden in stenen tempels geplaatst. De relatie tussen sculptuur en architectuur wordt een blijvend centraal element in de Griekse kunst. Behalve in stijl zijn ze ook in functie sterk verwant met het nabije Oosten en Egypte. Waarschijnlijk dienden de soms levensgrote staande mannen en vrouwen aanvankelijk eveneens als grafmarkeringen. De Griekse religie kende echter geen dodencultus zoals de Egyptische en mede daardoor kwam de weg vrij voor de ontwikkeling van nieuwe beeldcomposities en technische innovaties.

Griekse beeldhouwkunst: bronnen, materialen en technieken

Onze kennis stoelt op verschillende bronnen:

  1. bewaard gebleven originele stenen en bronzen beelden
  2. in opdracht van Romeinse verzamelaars gemaakte kopieën van oudere Griekse beelden, waarvan de originelen inmiddels verloren zijn gegaan;
  3. veel sculpturen en bouwwerken zijn afgebeeld op andere voorwerpen als munten en vaasschilderingen (cultusbeeld van Zeus, van ivoor en goud, in Olympia);
  4. geschriften van antieke auteurs, zoals Plinius Maior en Pausanias). Deze teksten leveren belangrijke gegevens over technieken en materialen, locaties en beeldhouwers.

Recentelijk zijn veel nieuwe inzichten verkregen over herkomst materiaal, vorm en datering dankzij natuurkundige analyses.

Materialen

De twee belangrijkste materialen voor de beeldhouwkunst in de oudheid waren steen en brons. Terracotta, hout, ivoor, goud en ijzer waren minder gebruikelijk. Alleen stenen beelden en een kleine groep bronzen beelden zijn overgeleverd. Het meeste brons is omgesmolten, hout en ijzer zijn vergaan en ook goud en ivoor is vrijwel altijd hergebruikt. Algemene stilistische ontwikkelingen zijn ondanks het gebruik van verschillende soorten materiaal toch af te leiden.

Steen: lokale grijswitte kalksteen en wit marmer waren de meest gebruikte steensoorten. Stenen beelden werden gehakt uit grote massieve rechthoekige blokken, die al waren voorbewerkt in de groeve. Het halfproduct werd daarna vervoerd naar een beeldhouwersatelier voor verdere afwerking. Zoals hun Egyptische voorlopers bleven de oude stenen beelden, inclusief armen, benen, hoofd en attributen binnen de contouren van het rechthoekige blok.

Latere werken ‘verlaten’ dat steenblok. Uitstekende delen als ledematen zijn met een pen- en gatverbinding aan de kern bevestigd. Alle stenen beelden waren oorspronkelijk beschilderd, nu is de kleur vrijwel verdwenen. Onderdelen werden vaak uit andere materialen toegevoegd: ogen van ivoor of gekleurd steen, wapens, schilden, enz. Van dergelijke onderdelen zijn in veel gevallen alleen nog de bevestigingsgaten te zien. Ze werden vaak bevestigd met behulp van gesmolten lood of pen- en gatverbindingen. Het gereedschap van de beeldhouwer bestond uit diverse soorten beitels, een houten hamer, een steenzaag en een handboor en zachte steensoorten om het oppervlak te polijsten.

Brons was het favoriete materiaal. Deze legering van koper en tin werd soms aangevuld met andere metalen om een bepaalde kleur of glans te krijgen. Beroemd was het zgn. Korinthische brons, vermoedelijk een legering van koper, zilver en goud.

De oudste techniek was die van het gehamerde brons (sphyrelata), een techniek verwant aan het maken van metalen lichaamsbescherming. Aanvankelijk waren het beeldjes als platte figuren, soms iets rond gezet, later uitgehamerd op een houten kern/pasmodel en daarna gladgemaakt en gepolijst.

De uitvinding van het bronsgieten wordt toegeschreven aan Rhoikos en zijn zoon Theodoros van het eiland Samos. De twee belangrijkste technieken zijn:

  • Massief gieten in een mal. Deze techniek is vooral geschikt voor kleinere beeldjes. Een houten model wordt omhuld met klei. Kleistukken worden losgehaald en gebakken. Weer in elkaar gezet en volgegoten met gesmolten brons. Na afkoeling wordt het omhulsel verwijderd.
  • Cire perdue (verloren was). Deze techniek begint met een model van klei met een laag harde was, waarin meer details uitgewerkt kunnen worden. Over de waslaag komt een kleimantel. De drie delen worden met pennen aan elkaar gezet. Door verhitting wordt de klei hard en smelt de was, zodat een ruimte overblijft tussen kern en mantel. Na afkoeling wordt de kern verwijderd, waarna het brons (het beeld of gedeelte) overblijft. De techniek is geschikt voor grote beelden, losse onderdelen werden aan elkaar gesoldeerd. Nadeel van deze techniek is dat kern en mantel maar één keer kunnen worden gebruikt

Een andere cire perdue-techniek werkt van buiten naar binnen en heeft dat nadeel niet. Van een uitgewerkt beeldmodel van klei, hout of harde was worden mallen van klei gemaakt, waarvan de binnenkant worden bestreken met een dikke laag was en daarna gevuld met een kern van klei. Daarna volgt dezelfde procedure van verhitting, bronsgieten en verwijderen van mal en kern, zoals bij de andere methode. Omdat van het oorspronkelijke beeld telkens opnieuw mallen gemaakt kunnen worden, zijn meerdere exemplaren van hetzelfde beeld mogelijk.

De bronzen beelden werden gepolijst en soms verguld. De groene patina ontstaat door verwering door de grond of buitenlucht. Een belangrijk voordeel van brons boven steen en terracotta is dat het materiaal zich laat hergebruiken en in geval van gietfouten opnieuw gesmolten kan worden. Er zijn geen mislukte bronzen beelden, maar talrijke aanwijzingen voor hergebruik.

Een zeldzame techniek is de combinatie van goud en ivoor. Deze chryselefantiine beelden bestonden uit een houten raamwerk, waarop dunne ivoren en gouden platen in de gewenste vorm werden bevestigd. Ivoor voor het lichaam, goud voor kleding en accessoires. Voorbeelden zijn Zeus in Olympia (één van de zeven klassieke wereldwonderen) en Athena in het Parthenon, beide van Phidias (ca. 480 – 430 v. Chr.). Onze kennis ervan is alleen bewaard gebleven door antieke auteurs en kleine kopieën in brons en marmer.

Functie, plaats en vorm

Voor de maatschappelijke betekenis van beeldhouwwerken zijn van belang de opdrachtgever, de plaats en de toegankelijkheid. Toegankelijkheid zowel letterlijk als figuurlijk in de zin van begrijpelijkheid van de thematiek. In de Grieks-Romeinse oudheid werkte een beeldhouwer in opdracht van heiligdommen, stadsbesturen of individuele opdrachtgevers, maar nooit op eigen initiatief. In die zin is er dus eerder sprake van ambachtelijke productie dan van kunstenaarschap. Naar functie en gebruik wordt de beeldhouwkunst uit de oudheid onderverdeeld in:

  • religieuze werken
    • Griekse vrijstaande cultusbeelden in tempels, oorspronkelijk van hout, vanaf de 7e eeuw v. Chr. in steen, brons of een enkele keer in goud en ivoor;
    • talloze beelden en reliëfs bij tempel opgericht als votiefgaven (Geschenken aan goden, etc.), soms vrijstaand, vaak ook in groepen. Inscripties staan op de sokkels voor wie of wat het is;
    • de architectonische sculptuur op tempels en andere heiligdommen, zoals reliëfs van de frontons (of pedimenten), metopen, akroteria, antefixen langs de dakrand, en het doorlopende fries (afb. 10). Alleen uit de Romeinse tijd zijn er voorts nog de historische reliëfs en sarcofaag reliëfs.
  • commemoratieve sculptuur – ter ere van gedenkwaardige gebeurtenissen als militaire of andere overwinningen, de sluiting van verdragen of bondgenootschappen e.d. (afb. 7 a-b).
  • grafmonumenten en portretten – het plaatsen van reliëfs, gebeeldhouwde vazen en soms beelden bij graven is een veelvoorkomend gebruik
    • grafmonument: voorbeeld: de stèle met het reliëf van de Treurende Athena (470-450 v. Chr.), in peplos (lange wollen tuniek), leunend op een stok voor een stèle, gevonden op de Akropolis. Lege blauwe achtergrond, waardoor alle aandacht zich richt op de figuur, strakke plooival, zachte gelaatsuitdrukking → voorbeeld van de strenge stijl.
    • portretten – laat in de beeldhouwkunst ontwikkelde zich het portret. Vrijwel alleen mannen: staatslieden, filosofen, toneeldichters, keizerlijke familie – in steen of brons. Opgesteld in openbare ruimten en in de Romeinse tijd ook in woonhuizen.

Het Romeinse gebeeldhouwde portret heeft een lange geschiedenis in de vorm van realistisch gemodelleerde portretten van voorouders. De Griekse zijn vaak meer een geïdealiseerde interpretatie.

Artistieke waardering

Vanuit de oudheid heeft de beeldhouwkunst zich ontwikkeld van sacraal (heilig) naar profaan (wereldlijk) en inherent daaraan is er een verbreding in de toepassing en plaatsing van beelden in huizen en tuinen, als object van esthetische waardering, status of beide. Eerst waren beelden sterk verbonden met heiligdommen en tempels, later kregen ook openbare gebouwen een sculpturale aankleding, die voor een groter publiek te zien was.

Vanaf de eerste eeuw na Chr. doet het fenomeen collectie zijn intrede in de huizen van de elite. Vele Romeinse hoogwaardigheidsbekleders kochten oude Griekse beelden of lieten die kopiëren, waaraan wij veel van onze kennis te danken hebben. Er ontwikkelde zich toen ook artistieke appreciatie van sculptuur en het kunstenaarschap van de beeldhouwer.

Met de vervanging van de cultische betekenis door een esthetische verdween ook de plaatsgebondenheid. Parallel daarmee ontstaat ook een verschuiving in de thematiek. Vroeger was de beeldhouwkunst nauw verbonden met de gemeenschap. Opdrachten kwamen van collectieven (gemeenschap van burgers) of een religieus genootschap t.b.v. heiligdommen. De thematiek weerspiegelde de identiteit van de gemeenschap of een ideaal. Veelal werden goden of mensen uitgebeeld. Geen weergave van een persoon, maar een gebeeldhouwde belichaming van een idee. Vanaf de 3e eeuw v. Chr., maar vooral in de Romeinse tijd, treedt de individuele opdrachtgever op de voorgrond en neemt het aantal portretten toe.

Jan Jaap Hekman

MvK02 – Rubricering

Begrip van kunst kan niet zonder kader, bijvoorbeeld chronologie als kader voor bestudering van de ontwikkeling. Maar één enkele rubriek kan niet volstaan. Herkomst, functie en techniek kunnen bijvoorbeeld een chronologisch kader onbruikbaar maken.

MvK03 – Kunst en context

Het begrip context – tijd en plaatsgebonden elementen – wordt geïllustreerd aan de hand van twee monumentale werken, gemaakt in opdracht van een vorstelijk heerser, Cosimo I de’Medici (1519-1574), bedoeld voor de openbare ruimte, het Pallazio della Signoria, ook wel Palazzao Vecchio in Florence.

MvK05 – Artistieke expressie en maatschappelijke functies

Het is binnen de Westerse cultuur algemeen geaccepteerd dat de Grieks-Romeinse oudheid haar bakermat is. Preciezer, onder ‘klassiek’ wordt verstaan: de Griekse cultuur van de 5e en 4e eeuw v.Chr. en de Romeinse van de 1e eeuw v.Chr. en de 2e eeuw n.Chr.

MvK06 – Kopie en navolging in het middeleeuwse bouwen

Stenen kerkgebouwen behoren tot de belangrijkste materiële overblijfselen van de middeleeuwen. Dit hoofdstuk gaat over de belangrijkste personen die bij de kerkbouw betrokken waren. Zij streefden bewust verwantschappen na met andere gebouwen, op verschillende manieren en niveaus.

MvK10 – Klassieke vormen en maatverhoudingen in de architectuur

De klassieke oudheid heeft in de ontwikkeling van de bouwkunst een grote rol gespeeld. Het gaat hier om architectuur in de periode 1420 tot 1750 en wel om het beroep dat in de architectuur van de renaissance, barok en rococo op de bouwkunst van de Romeinen is gedaan

MvK11 – Grafmonumenten

Sarcofaag van Junius Bassus | 359 https://youtu.be/YUzsxLi43gE Grafmonumenten Inleiding Hier ligt Poot, hij is dood. De Schoolmeester Hiermee is aangegeven waar het bij...

MvK13 – Vorm, identiteit en stijl in de architectuur en de beeldende kunst in de 19e eeuw

In de 19e eeuw stelt de architectuur zich voor de uitdaging om vorm en functie overeen te laten komen. In combinatie met de grootschalige infrastructurele projecten ontstaat zo een samenhangend, herkenbaar geheel, dat zijn oorsprong vindt in de vervlechting van beginselen uit de 17e en 18e eeuw. De zeggingskracht die de beeldende kunst bijdroeg aan die gebouwen was aanmerkelijk groter dan de architectonische.

MvK14 – Stijlvernieuwing als overlevingsstrategie

Concertgebouw, Amsterdam | 10 november 1902 | Jacob Olie Stijlvernieuwing als overlevingsstrategie Inleiding Een architect is een kunstenaar die zichzelf ook moet...

MvK15 – Leugens, waarder dan de letterlijke waarheid – de verbeelding van de werkelijkheid

The Hay Wain | John Constable |1821 Willy Lot's Cottage nu 'Leugens, waarder dan de letterlijke waarheid' de verbeelding van de werkelijkheid Inleiding Tweede helft 19e...

MvK16 – Van Matisse tot Newman

Female Lovers | Egon Schiele | 1915 Van Matisse tot Newman Inleiding De geschiedenis van de kunst van de eerste helft van de 20e eeuw wordt over het algemeen gezien als...

MvK17 – Vlucht uit het reservaat

Kunstvoorwerpen zijn vooral te bewonderen in musea. Dat was vroeger niet zo, of toch veel minder. Kunstenaars ervoeren voor- en nadelen. Voordeel is de beschermde wereld waar ze naar hartenlust konden experimenteren. Nadeel was dat contact met de rest van de maatschappij moeilijker werd en aan invloed verloor.

MvK18 – De stromingen voorbij

Chronologie en groepering naar lokale, regionale of nationale scholen zijn sinds Giorgio Vasari eeuwenlang de belangrijkste ordeningsprincipes geweest. Voorbeeld zijn de werken van Ernst Gombrich en Janson. Stijlbenamingen zijn doorgaans veel later ontstaan dan de kunst waarop ze betrekking hebben. Pas vanaf circa late 18e eeuw ontstaan vastere vormen.

3. Dokathismata female idol | Syros, ca 2600-2400 BC | foto van Xuan Che

7a-b. Bronzen van Riace, waarschijnlijk van Phidias

10. Parthenonfries | Phidias en assistenten | 477-432 BC | foto Jastrow

11. Doryphoros | Polykleitos | ca 100 BC | foto Marie-Lan Nguyen

12. Nikè van Samothrake | Pythokritos | ca. 200 BC


Traditie en vernieuwing in de Griekse en Romeinse beeldhouwkunst

Deze paragraaf beperkt zich tot de hoofdzaken van de ontwikkeling van de Griekse en Romeinse beeldhouwkunst aan de hand van een enkel thema: de mens. Deze heeft vanaf het begin een centrale positie gehad in de Griekse kosmologie, religie, wetenschap en filosofie. Dit komt tot uitdrukking in de weergave van het menselijk lichaam in de beeldende kunsten. In tegenstelling tot de religies van Egypte en het Nabije Oosten kenden de Grieken geen goden met een geheel of gedeeltelijk dierlijk uiterlijk of kenmerk. De Griekse goden werden vereerd en weergegeven in menselijke gedaanten, zowel in de mythologie als in de beeldende kunsten.

De menselijke figuur is een constante, de traditionele dimensie in de Griekse kunst, al is die kunst geen statisch gegeven. De Griekse beeldhouwkunst heeft een vernieuwend karakter, en ook hier onderscheidt zij zich van die uit het oosten. Dat vernieuwende karakter blijkt uit een schets van de manier waarop de weergave van de menselijke figuur zich heeft ontwikkeld. Aan de hand van een aantal exemplarische beelden zijn de ontwikkelingen in een periode van zo’n 500 jaar te volgen.

Ontwikkeling

Archaïsche periode (700-490 v. Chr.)

De oriëntaliserende stijl (700 v. Chr.) komt voort uit rechtstreekse contacten met oude beschavingen in het Nabije Oosten en Egypte, met talloze oosterse motieven en vormen. Vanaf 660 v. Chr. ontstaan vrijstaande grote stenen sculpturen. Vanaf die tijd hebben beelden een nieuwe stijl. Kenmerkend zijn de starre blokachtige houding, schematisering in proporties en de ietwat wezenloze uitdrukking. Uiteindelijk bereikt men een zekere harmonie in de verhoudingen, maar ze bewegen zich niet in de ruimte, de ledematen zijn niet vrij van de kern.

Gedurende de archaïsche periode komen de figuren geleidelijk los van de begrenzingen van het rechthoekige blok. Eenzelfde ontwikkeling is te zien in de architectonische sculptuur en vooral in de beeldengroepen in de tempelfrontons – van vlak reliëfachtig naar opengewerkte groepen in complexe houdingen en bijna los van de achtergrond.

Klassieke periode (ca. 480-320 v. Chr.)

De overgangfase van de archaïsche naar de klassieke periode zien we in de Treurende Athena, die we karakteriseren als de strenge stijl, ca. 500 – 450 v. Chr. Kenmerkend zijn

  • de vereenvoudiging en verzwaring van de volumes in het beeld,
  • grotere vlakken die vloeiend in elkaar overgaan, onbegrensd door ornamentele lijnen,
  • zwaardere plooival, dikkere randen om de ogen, een zwaardere kin en volle mond,
  • een gelaatsexpressie met meer emotie en meer beweging,
  • gewicht op het rechtstaande standbeen, van het speelbeen raken alleen de tenen de grond.

Het resultaat is een natuurlijker houding van een figuur in beweging. Nieuw zijn de knielende, zittende of liggende figuren. De haardracht wordt naturalistischer, vrouwen hebben een sluier om het haar.

Aan het begin van de klassieke periode (480-320 V. Chr.) wordt de heup boven het speelbeen gedraaid, lager dan de andere heup (afb. 5.7a-b). Deze contrapost-beweging wordt een blijvend element in de Europese beeldhouwkunst. Gaandeweg veranderde ook de plooibehandeling van de gewaden. Complexer in ontwerp en meer veelsoortig (afb. 10).

Het werk van Polykleitos van Argos uit het midden van de 5de eeuw v. Chr. laat duidelijk zien hoe zeer de Griekse beeldhouwers de illusie van een natuurlijke beweging beheersten. Hij is vooral beroemd geworden door zijn beelden van atleten. Zijn Doryphoros of Speerdrager draagt alle kenmerken van de klassieke stijl in de Griekse beeldhouwkunst. Het rechterbeen draagt het hele gewicht van het bovenlichaam. Het linkerbeen draagt geen gewicht en staat alleen met de tenen op de grond. In de linkerhand hield hij oorspronkelijk een speer. De houding van de Speerdrager is harmonieus en rustig en de gelaatsuitdrukking toont innerlijke rust. Dit beeld geldt als een climax in de lange weg die de Griekse beeldhouwers hebben afgelegd naar een naturalistische weergave van het menselijk lichaam in een harmonieus en evenwichtig geheel. Polykleitos’ boek over de proportieleer, de Kanon, is verloren gegaan.

Een tweede beroemde beeldhouwer uit deze tijd is Phideas van Athene, voor tijdgenoten de grootste uit de geschiedenis. Zijn stijl kenmerkt zich door stille houdingen, serene expressie en een zekere verhevenheid in conceptie (Parthenonfries, 447-432 v. Chr., afb. 10). Helaas zijn geen oorspronkelijke vrijstaande beelden van hem bewaard gebleven, alleen Romeinse kopieën.

Hellenistische stijl (320 – 30 v. Chr.)

De hellenistische stijl ontwikkelde zich tijdens de Griekse onderwerping aan de Romeinse macht. Het naturalisme kreeg een nieuwe impuls doordat uitdrukking werd gegeven aan menselijke emoties, naast leeftijd en persoonlijkheid. De figuren bewegen zich uitbundig in een compositie met een haast overdreven complexiteit (afb. 12). Armen en benen strekken zich uit in verschillende richtingen en spierbundels en gezichtsuitdrukkingen worden met nadruk afgebeeld. Daarnaast ontstond er een nieuw genre, namelijk dat van de personificatie. Dit zijn abstracties zoals vrede, rechtvaardigheid, enz. die in mensengedaanten worden uitgedrukt.

Hoewel de Romeinse beeldhouwkunst in grote lijnen een voortzetting van de Griekse is, zijn er onderscheidende kenmerken. Eén daarvan is het belang dat Romeinen stelden in portretten, zowel van levende als van overleden personen. Het Romeinse portret draagt de fysieke kenmerken van de uitgebeelde persoon. Zie bijvoorbeeld de Augustus van Prima Porta (19 v. Chr., afb. 13). Het twee meter hoge beeld stelt keizer Augustus voor als princeps, dat wil zeggen degene met de hoogste autoriteit. In grote lijnen is het een Romeinse versie van Polykleitos’ Speerdrager. Er zijn echter opmerkelijke verschillen. Op drie punten is het typisch Romeins:

  1. Augustus is een portret; Doryphoros is een ideale voorstelling van een mythische held.
  2. De keizer is niet naakt zoals de Speerdrager, maar is afgebeeld in een militair tenue.
  3. De keizer kijkt zijn onderdanen direct aan en begroet ze met imperiale waardigheid; de Speerdrager kent geen aandachtspunten buiten zichzelf.

De stap van de Speerdrager naar Augustus verbeeldt de overgang van een geïdealiseerde Griekse beeldhouwkunst naar een meer realistische en wereldlijke Romeinse kunst, een compromis tussen ideale schoonheid en heersende realiteit.

Een ander voorbeeld is het beeld van Sabina, de vrouw van keizer Hadrianus (afb. 14). Als norm dient de Venus Genetrix, de Romeinse kopie van een Griekse Aphrodite:

  1. De linkerborst is bedekt, hoewel de vorm duidelijk is (tegemoetkoming aan de Romeinse zeden).
  2. Het is een visuele allegorie. Venus is de moeder van Aeneas, de stamvader van de Romeinen. Sabina is dus uitgebeeld als moeder van de Romeinen.

De Romeinse interpretatie en aanpassing van Griekse beeldhouwkunst is eeuwenleng het fundament van de Europese kunst geweest.

Portretten en sarcofagen

In de Romeinse portretkunst verenigt zich het realisme van de hellenistische periode met de inheemse Italische of Etruskische traditie van het afbeelden van voorouders op bijvoorbeeld askisten, sarcofagen en vazen (afb. 15). Deze traditie gaat terug tot de 8ste eeuw v. Chr., dus lang voordat er sprake was van een Romeinse staat.

De Romeinse portretsculptuur kent uiteenlopende genres, zoals:

  1. Realistische portretten.
  2. Togabeelden van belangrijke Romeinse burgers.
  3. Pantserbeeld keizer/veldheer (afb. 13, Augustus).
  4. (Half)naakte staande portret, meestal een keizer als mythische godheid.
  5. Herme (grenszuil), in de vorm van een rechthoekige pijler, daarop een mannenhoofd.
  6. Ruiterstandbeeld van keizer of veldheer, die het volk begroet.

Belangrijk kenmerk is de combinatie van realisme en allegorie. Naast bestaande personen zien we vaak personificaties van idealen in de voorstelling verwerkt. Die allegorische beelden onderscheiden zich niet in uiterlijk of grootte van andere figuren, maar lijken deel van de voorstelling uit te maken. Voorbeelden zijn te vinden in de reliëfs van de Triomfboog van Titus en op de Zuil van Trajanus (nrs. 4 en 5).

In deze voorbeelden zien we zowel de unieke persoonlijkheden van de deelnemers, als ook personen die thuishoren in de wereld van de mythen of fantasie, zoals de personificatie van de stad Rome op het noordelijk reliëf van Titus.

Deze toevoeging van mythische figuren aan een historische voorstelling is kenmerkend voor de Romeinse beeldhouwkunst, in tegenstelling tot de Griekse, waar het altijd gaat om mythische of legendarische figuren. Het gebruik van personificaties, die in de regel herkenbaar zijn aan vaste attributen, is een element dat sinds de Romeinse tijd deel uitmaakt van de westerse kunsttraditie.

Gebeeldhouwde reliëfs werden behalve op gebouwen ook toegepast op sarcofagen. Het gebruik van sarcofagen gaat terug tot de Griekse tijd, maar de Romeinen hebben het tot een ware kunstvorm ontwikkeld. De vier zijden zijn uitbundig gedecoreerd met figuratieve en florale motieven. De sarcofagen worden op grond van hun voorstellingen in de reliëfs onderscheiden in twee stijlen:

  1. Tapijtstijl – wegens de gewoonte om de reliëfscènes helemaal in te vullen met menselijke figuren, dieren en landschap, waardoor geen deel onbedekt blijft, als uit een horror vacui (angst voor het lege).
  2. Statutaire stijl – door grote figuren, die ten voeten uit naast elkaar zijn afgebeeld, zeer populair in de 3e eeuw. De thema’s zijn vaak ontleend aan mythologische verhalen, jacht- of gevechtsvoorstellingen.

Christelijke thema’s deden hun intrede in de 3e eeuw en werden zeer talrijk in de 4e eeuw. Vaak zijn deze uitgevoerd in de rustige statutaire stijl, met naast elkaar geplaatste figuren in nissen. De overgeleverde Romeinse beeldhouwkunst uit deze periode bestaat vrijwel alleen nog uit portretten en sarcofagen.

Samenstelling en Redactie Mieke Rijnders en Patricia van Ulzen

13. Augustus van Prima Porta | onbekend | ca. 20 BC

14. Sabina als Ceres | Unknown | ca. 13 BC | foto van following Hadrian

Print Friendly, PDF & Email