Select Page

Manieren van kijken

Klassieke vormen en maatverhoudingen in de architectuur

Basilica di Sant’Andrea di Mantova | Italië | 1462 | Leon Battista Alberti

CopyrightBekijk

Klassieke vormen en maatverhoudingen in de architectuur

Inleiding

De klassieke oudheid heeft in de ontwikkeling van de bouwkunst een grote rol gespeeld. Het gaat hier om architectuur in de periode 1420 tot 1750 toegespitst op het beroep dat op de bouwkunst van de Romeinen is gedaan. Aanvankelijk richtte men zich op de resten van de klassieke cultuur, de ruïnes van Romeinse monumenten, die de belangstelling kregen van 15de-eeuwse Italiaanse architecten, ambachtslieden, kunstenaars, opdrachtgevers en geleerden. Die kennis werd vermeerderd door een overgeleverd Romeins architectuurboekwerk, De architectura libri decem, tien boeken over de bouwkunst uit de eerste eeuw v. Chr. van Marcus Vitruvius Pollio (Vitruvius), die werden herontdekt en voor eeuwen de theoretische basis vormden voor de westerse bouwkunst.

Beide bronnen werden vooral onderzocht op hun bruikbaarheid en als inspiratiebron. Omdat de eigentijdse architectuur in vorm en functie sterk verschilde van de Romeinse, was het probleem hoe klassieke, van oorsprong heidense vormen en decoraties verantwoord getransponeerd konden worden naar de christelijke architectuur, in het bijzonder de kerkbouw. Dat hield alle betrokkenen voortdurend bezig.

De architectuurhistoricus John Summerson (1904-1992) heeft het classicisme omschreven als het Latijn van de architectuur, en de zuilenorden als de grammaticale uitdrukking ervan. Men wilde dat Latijn ‘ontleden’ en volledig doorgronden om het opnieuw te kunnen toepassen. Dit fenomeen vond zijn oorsprong in Italië en verspreidde zich vandaar over Zuid- en Midden-Europa, mede door de boekdrukkunst, en geleerden en kunstenaars uit het gevolg van vorsten. De nieuwe architectuur kreeg in de nieuwe omgeving een nieuwe vorm, die vaak sterk lokaal of regionaal bepaald werd. Het product vertoonde zich dus in vele soorten, maar bleef herkenbaar. Ondanks variatie en differentiatie bleef men zich beroepen op dezelfde bronnen: de Romeinse bouwkunst en Vitruvius’ De architectura libri decem.

Welk doel diende dat boek oorspronkelijk? Vitruvius heeft het speciaal voor keizer Augustus geschreven en daarin voor het eerst architectuur als omlijnde en afgebakende discipline opgetekend. Vitruvius wilde de Romeinse grootheid vastleggen en voorschriften geven, die de keizer kon gebruiken om verder te bouwen aan zijn imperium. Het boek is vanaf de 15de eeuw ook een klassieke inspiratiebron voor de toepassing van architectuur als instrument van staatsvorming en autoriteitsstreven. Het is zelfs nu nog van betekenis en dus is het een referentiepunt gebleven.

De klassieke orden en hun verhoudingen

Het concept van een tempel berust op evenwichtige verhoudingen (symmetria). Deze worden voortgebracht door proportio (Gr.: analogia). Proportio is het nemen van de vastgestelde maateenheid, waarmee de onderdelen op elkaar en op het totaal worden afgestemd. Zonder deze beide uitgangspunten kan een tempel geen doordacht ontwerp hebben. Precies zoals bij een mensenlichaam, aldus Vitruvius in zijn geheel ongeïllustreerde tekst.

Dit is een essentiële definitie geworden vanaf de 15de eeuw en verbeeld door Leonardo da Vinci (1452-1519) – een van de bekendste uomini universali, in zijn tekening van de Vitruviaanse man (1490, afb. 1). De Vitruviaanse mens staat in twee poses. Zijn lichaam kan door zowel een cirkel als een vierkant worden omschreven, waarbij resp. navel en geslacht het middelpunt zijn. Leonardo wilde aantonen dat er een directe relatie bestaat tussen het menselijk lichaam en de volmaakte vorm van de cirkel en het vierkant. Hij legt ook een relatie tussen de onderdelen van het menselijk lichaam, waarmee hij de stelling van Vitruvius over maatverhoudingen bewijst. De studie van Vitruvius werd Leonardo vergemakkelijkt door het Trattato di archittura civile e militare uit 1485 van Francesco di Giorgio Martini, het eerste geïllustreerde leerboek over architectuur in de 15de eeuw. Martini zei al het bruikbare uit Vitruvius en de oudheid te hebben verzameld en aangevuld te hebben met eigen interpretaties, tekeningen en ontwerpen. Ook Martini neemt het menselijk lichaam als uitgangspunt voor de compositie van gebouwen. De verhoudingen van het menselijk lichaam bepalen de indeling van het kerkgebouw (kruisbasiliek, antropomorfie, afb. 2), in een combinatie van centraal- en langsbouw. Maar het toont ook hoe het concept eerst op papier kon worden uitgeprobeerd.

Vitruvius beschrijft een vijftal tempeltypen, onderscheiden door de afstand tussen de zuilen, het intercolumnium, uitgemeten in zuildikten, de moduul (maateenheid). Het tempeltype eustylos heeft een correcte verhouding van intercolumnia, waarbij ‘doelmatigheid, schoonheid en sterkte’ optimaal in balans zijn. Dat zijn intercolumnia van 2¼ zuildikte of moduul, en in het midden i.v.m. de toegang drie zuildikten. Hoogte: 9½ moduul. Dan volgen de maatverhoudingen aan de hand van de belangrijkste onderdelen, de klassieke zuilenorden. Dat zijn drie stelsels van maatverhoudingen, elk met hun eigen zuilverhoudingen en gebeeldhouwde kapitelen: Dorisch, Ionisch, Korinthisch.

De Etruskische tempel met een Toscaanse orde blijft buiten de canon. De kern is de zuil, het constructief stuttende element, dat wordt bekroond door het kapiteel, de overgang naar de horizontale balk (latei). Op basis van Vitruvius komt Sebastiano Serlio (1475-1554) in zijn Regole generali di architettura sopra le cinque maniere degli edifici (1537) tot vijf orden (afb. 3):

  1. de Toscaanse (6 modulen hoog), zwaar, plomp;
  2. de Dorische (7);
  3. de Ionische (8)
  4. de Korinthische (9);
  5. de composiete (10), rank, verheven, samenstelling van Ionisch en Korinthisch.

Ook alle andere onderdelen dan de zuilen verschillen van maten en verhoudingen. Het effect van deze verschillen is in Serlio’s weergave meteen zichtbaar. De sculpturale elementen van de orden (kapitelen) versterken deze indruk en maken het onderscheid gemakkelijk.

Theorie en praktijk in de vroege Italiaanse renaissance

De renaissance (It.: Rinascimento) was het begin van het herstel van de klassieke Romeinse bouwkunst in Italië rond 1420. De renaissance in de kunsten in andere Europese landen moet daar niet mee verward worden. Introductie van nieuwe vormen in de traditionele bouwkunst waren slechts gedeeltelijk daarop geïnspireerd.

Het begon met het werk van Filippo Brunelleschi (1377-1446), die in Rome de resten van de klassieke bouwkunst had bestudeerd. Zijn koepel voor de dom van Florence (1420-1436) geeft weinig van deze inspiratie prijs. Hij past overwegend gotische vormen toe en geen Romeinse. Dat wordt veel duidelijker in de arcade van het Ospedale degli Innocenti (afb. 4) en de interieurs van de Florentijnse kerken en kapellen. De architectuur van de renaissance was zo classicistisch als de beschikbaarheid van de bronnen toeliet. In Brunelleschi’s tijd was nog heel weinig van de klassieke bouwkunst bekend. In Rome, sterk gedecimeerd, wist men niet waar men naar keek: de functies die de ruïnes vroeger hadden gehad werden verward. Het onderscheid tussen Romeinse, Byzantijnse, vroegchristelijke en romaanse architectuur dat tegenwoordig gemaakt wordt, berust op eeuwenlang historisch en archeologisch onderzoek. Deze kennis ontbrak in de 16de eeuw, omdat de overblijfselen ruïnes waren of door continu gebruik hun authenticiteit verloren hadden, maar er was ook nog geen sprake van een uitgekristalliseerde classicistische voorkeur. Dat de klassieke Romeinse architectuur (met Vitruvius als leidraad) in de 16de eeuw zo succesvol werd, heeft bijna doen vergeten dat er ook een levendige interesse bestond voor vroegchristelijke en Byzantijnse architectuur en dat men ook experimenteerde met Romaanse en gotische vormen en constructies. Er was geen eenduidig klassiek repertoire waarop Brunelleschi kon voortbouwen.

De aanwijzingen over proporties van Vitruvius werden een centraal thema vanaf de 15de eeuw. Er kwam aldus een proportiestelsel, waarin elk onderdeel in een vaste verhouding staat tot de overige delen van het geheel. Leon Battista Alberti (1404-1472) bundelde als eerste de regels van de nieuwe architectuur tot een bruikbaar systeem. In zijn definitie van schoonheid klinkt de humanistische overtuiging van het geordende heelal door. Schoonheid bestond in de harmonie van alle onderdelen, die d.m.v. onderlinge proportionaliteit en verbanden één geheel vormen, waaraan niets kan worden toegevoegd, veranderd of van afgenomen zonder deze harmonie te verstoren. Bij de voorbereiding van zijn De Re Aedificatoria (Over de bouwkunst, 1450-1452) had hij zich naast Vitruvius en de klassieke bouwkunst ook verdiept in Vitruvius-interpretaties van middeleeuwse kerkgeleerden. Alberti’s boek werd postuum gepubliceerd en wijd verspreid. Het voorzag in een behoefte. Alberti integreerde de klassieke vormen van heidense monumenten in eigentijdse gebouwen, bijv. stadspaleizen. Maar vooral door de verwerking ervan in kerkgebouwen konden ze snel worden geaccepteerd.

Het kerkgebouw en andere nieuwe bouwopgaven

Het ontwerpen en decoreren van een tempel (kerk) is volgens Alberti de moeilijkste opgave. Zijn ontwerp voor de kerk van Sant’ Andrea in Mantua (afb. 5) heeft de meeste navolging gekregen. Het ontwerp is Alberti’s idee van een eigentijdse, op de Etruskische tempel geïnspireerde kerkvorm, zowel in de façade als in de plattegrond. Vooral de keuze voor een Romeinse triomfboog en het klassieke tempelfront in de gevel is veelzeggend. De kerk triomfeert over de heidense godsdiensten van de oudheid, terwijl diezelfde oudheid de harmonieuze middelen aanreikt om die triomf te verbeelden. Alberti’s combinatie van klassieke vormen met de christelijke basilicale plattegrond resulteerde in een eigentijds gebouw, dat zich onderscheidde van al het voorgaande. Eisen voor een kerk volgens Alberti:

  • bij voorkeur vrijstaand;
  • verheven boven de omgeving door een podium of een platform;
  • de façade dient altijd een front met zuilen te zijn;
  • ronde kerken moeten eveneens voorzien zijn van een front met zuilen of van een rondlopende colonnade of peristyle;
  • arcaden (zoals in de romaanse of gotische architectuur), moeten worden vermeden – in plaats daarvan krijgen zuilenrijen met rechte architraven de voorkeur;
  • de kerkruimte dient overwelfd te zijn, het liefst met een cassettegewelf;
  • hoge vensters, geen contact met de buitenwereld, van binnen dient slechts de lucht zichtbaar te zijn.

In de architectuurgeschiedschrijving van de renaissance in de 20ste eeuw dacht men dat de architecten van de renaissance een zeer sterke voorkeur hadden voor een kerk, die i.p.v. een basicale, een cirkelvorm als uitgangspunt had. De cirkel was immers de meest volmaakte, meest goddelijke vorm en daarom voor een kerk voorbestemd. De ronde kerk bleek praktisch minder geschikt, er moest immers plaats zijn voor een grote groep gelovigen én een plek voor een beperkt aantal priesters. Alleen uitgesproken commemoratieve gebouwen kregen vaak wel een cirkelvorm. ‘Rond’ is altijd een ideaalvorm gebleven, dus werd steeds weer geprobeerd het toe te passen bij monumenten en utopische gedenktekens (afb. 2-4).

Vier van Alberti’s ontwerpen waren niet rond, maar basicaal. Voor de façades gebruikte hij zowel halfzuilen(halve dikte voor een muur of pijler) als pilasters (weinig uitspringend). Donato Bramante (1444-1514) had zich de taal van de klassieke bouwkunst helemaal eigen gemaakt (Tempietto, afb. 6). Het ronde tempeltje met peristyle is in miniatuur het ideaal wat Alberti voor ogen stond. Het werd door Serlio en Andrea Palladio tot het paradigma van de bouwkunst; volgens hen overtrof het de Romeinse architectuur. De taal van het classicisme was daarmee definitief geïntroduceerd in de kerkbouw. Het classicisme werd door Bramante verder uitgewerkt tot officiële kerkarchitectuur. In 1503 werden de eerste plannen voor de St. Pieter gemaakt (afb. 7 en 8). De centraalbouw op een nooit vertoonde schaal werd het uitgangspunt. Het plan voor de voltooiing werd door Antonio da Sangallo (1484-1546) gewijzigd:

  1. de vier hoekkapellen werden in het vierkant van de plattegrond van de St. Pieter geïntegreerd;
  2. de structuur werd inzichtelijker en de ruimtes toegankelijker;
  3. opzienbarender: door de (oostelijke) ingangspartij toe te voegen ontdeed hij het exterieur van het centraalbouwkarakter.

Michelangelo, in 1546 benoemd, reduceerde de ruimten rond de centrale koepel tot een vierkante omgang en vier halfronde apsissen zonder de ambulatoria (wandelgangen rond het koor) van Bramante en Sangallo (afb. 10). Alles binnen een doorlopende ommuring, aan de buitenzijde voorzien van een kolossale Korinthische pilasterorde met attiek (bovenste deel van een triomfboog). Er werd een schip aan toegevoegd dat aan meer gelovigen plaats bood (afb. 11). De St. Pieter werd het archetype van de monumentale kerkbouwkunst, een definitief afscheid van de vroegchristelijke basicale vorm.

De klassieke vormen en decoraties werden in de wereldlijke bouwkunst verder verspreid. Michelangelo voerde nog andere opdrachten uit voor de Medici-pausen, zoals de sacristie en de bibliotheek van de San Lorenzo.

Giulio Romano (ca. 1499-1546) paste een eigenzinnig maniëristisch gebruik van de ordenarchitectuur in de villa suburbana van de hertog van Mantua toe, het Palazzo del Tè (nr. 34) en het Palazzo Ducale.

Maniërisme is een bijzondere, late fase van de renaissance-architectuur, waarbij de regels van de orden niet meer zo nauw werden genomen en plaats maakten voor nieuwe vondsten, waarin de persoonlijke inbreng, de individuele stijl of maniera van de kunstenaar of ontwerper alle ruimte krijgt (Michelangelo en Giulio Romano). Veel orthodoxer gebruikt Andrea Palladio de orden door het klassieke tempelfront tot de kern van zijn architectuur van stadspaleizen en landelijke villa’s te maken (afb. 12). Mede door hun vriendelijke en harmonieuze karakter werden Palladio’s ontwerpen veel nagevolgd. Door afbeeldingen in gedrukte verhandelingen werden ze verspreid.

Italiaanse verhandelingen over architectuur

De wildgroei in systemen werd beteugeld door de geschriften van enkele succesvolle architecten. Alberti voegt in De re aedificatoria aan de drie Griekse orden van Vitruvius een vierde op Italiaans grondgebied ontstane orde toe, die hij Italiaans noemde. Tegenwoordig heet die composietorde, het kapiteel is samengesteld uit het Ionisch en Korinthisch kapiteel.

Serlio voegt de Toscaanse orde toe, totaal waren er dus vijf orden, elk met hun eigen proportieregels. Serlio deed dat in zijn traktaat L’architettura in boek IV dat het eerst verscheen. Dat deel droeg de titel Regole generali di architettura sopra le cinque maniere degli edifici. Dit werd in 1539 vertaald in het Nederlands als Generale reglen. Boek 3, De Oudheden (waarin behalve Romeinse monumenten ook Bramante’s Tempietto was afgebeeld) droeg hij op aan Frans I van Frankrijk, waarvoor hij soms werkte. In totaal waren het:

  • Boek I Geometrie
  • Boek II Perspectief
  • Boek III De oudheden
  • Boek IV Algemene regels van de architectuur (vijf manieren van bouwen)
  • Boek V Tempels (= kerken)
  • Boek VI Poorten
  • Boek VII Huizen

Het is te beschouwen als een compleet, systematisch en praktisch handboek voor architecten, beeldhouwers, schilders en andere handwerkslieden. Serlio introduceerde het begrip licentia, de artistieke vrijheid in de omgang met Vitruvius’ voorschriften en de Romeinse resten. Versierde constructies werden op deze wijze in de 16de eeuw tot losse decoratieve elementen verzelfstandigd.

Hiermee veranderde het karakter van het architectuurtraktaat beslissend in een rijk geïllustreerde bundel met voorschriften. De ordenleer was nu op basis van Vitruvius’ regels tot uitgangspunt bij uitstek genomen. De orden zijn toegepast volgens een strak schema en een rigide proportiesysteem. Met de toevoeging van de Toscaanse en composietorde zijn de vijf orden bij Serlio voor het eerst als integraal stelsel voor de architect op een rij gezet. Een gebruiksaanwijzing voor het gebruik in Serlio’s eigen tijd, uitgewerkt tot een complete set van vormen met een duidelijke expressieve zeggingskracht en symbolische waarde.

De orden werden het belangrijkste uitdrukkingsmiddel in de architectuur, waardoor functie en belang van gebouwtypen of onderdelen verduidelijkt worden. Er was een hiërarchie in de orden. Van hoog naar laag:

  • kerken en paleizen → Korinthische of composietorde
  • raadhuizen → Ionische orde (de middelste van de 5)
  • stadspoorten en militaire architectuur → Toscaanse en Dorische orden, vaak in combinatie met rustica (rechthoekige bouwsteen, aan de voorzijde ruw bewerkt), om het karakter van mannelijke, weerbare architectuur te versterken.

Giacomo Barozzi da Vignola, 1507-1573), architect van de moederkerk van de jezuïeten Il Gesù te Rome (nr. 40), volgde in de voetsporen van Serlio. Zijn Regola delle cinque ordini d’architettura behandelt de gecanoniseerde orden, eigenhandig aan antieke Romeinse monumenten nagemeten (afb. 13). In tegenstelling tot bij Serlio ontbreken eigenhandige ontwerpen en modellen voor opdrachtgevers. De beknoptheid en leerbaarheid van Vignola’s regel maakte het tot een zeer veel gebruikt internationaal handboek. Een licht becommentarieerde tabel voor het gebruik van de orden, die ver afstond van de brontekst, Vitruvius’ De architectura libri decem.

Kon voor architecten volstaan worden met deze op de praktijk gerichte ‘regel van de vijf orden’, elders had men behoefte aan een benadering van de architectuur als wetenschap. Andrea Palladio voorzag daarin in zijn I quattro libri dell’architettura. Een overzicht van de orden en hun voorschriften, ditmaal uitgebreid met een oeuvrecatalogus van hemzelf en een uitgebreide documentatie over de antieke monumenten die hij zelf had bestudeerd (afb. 12). Onder zijn ontwerpen bevinden zich verschillende pogingen tot eigentijdse uitwerking van door Vitruvius beschreven bouwtypen. Datzelfde deed hij in de illustraties bij Daniele Barbaro’s becommentarieerde Vitruvius-vertaling uit 1556, waarin de architectuur als wetenschap, voortgebracht door de rede, werd gedefinieerd.

Eruditie klinkt ook door in L’idea dell’architettura universale (1615) van Vincenzo Scamozzi (1552-1616), een encyclopedisch overzicht van de praktijk van de architect en de idealen van de theoreticus. Tot dan toe het meest volledige boek over architectuur in 10 delen. Scamozzi’s behandeling van de orden (boek VI) volgt Serlio en Vignola. Hij benadrukt ze als absolute grootheden, verankerd in een geordend en geometrisch wereldbeeld. Hij acht de architectuur een wetenschap die niet het kunstzinnige talent van de student voorop stelt, maar een leergierige geest en een gezond verstand. De platen erin werden vooral in de Noordelijke Nederlanden met grote belangstelling ontvangen. In 1640 verscheen een onvolledige Nederlandse editie, Grontregulen der bow-const met Hollandse voorbeelden.

Verhandelingen buiten Italië

De boekdrukkunst maakte het mogelijk Vitruvius opnieuw uit te geven en afbeeldingen (houtsneden) toe te voegen, zodat men er ook ver van de klassieke bouwkunst kennis van kon nemen. Het kon dienst doen als een soort grammatica, een handboek, ter verdere ontwikkeling en vermenigvuldiging door practici. Maar ook voor kant-en-klaar-voorbeelden, gestandaardiseerde modellen voor nog onkundigen. Waar grote architecten waren en middelmaat regeerde, was zo’n boek beter dan nabootsing. Dat was gedoemd te mislukken, aldus Karel van Mander in zijn Schilder-boeck bij de beschrijving van het leven van Michelangelo. Wie gebruikte het (dure) voorbeeldenboek? Niet de gemiddelde ambachtsman of bouwer. Wél de rijke amateur en de geïnteresseerde opdrachtgever. Studeren op de klassieken was ook een elitair tijdverdrijf. Het zelf tekenen was van groot belang. Later kwam de productie van losse prenten en kleine series tot ontwikkeling, waarbij reproductie en verspreiding gemakkelijker werd. Veel van de vormentaal van de renaissance raakte verspreid via de praktijk en reizende ontwerpers en een deel van de boekproductie kwam terecht bij de opdrachtgevers, die zo over architectuur konden oordelen en meepraten.

De wetenschappelijke benadering van het vak stimuleerde het historisch onderzoek naar de eigen nationale architectuur. Voorbeeldboeken vonden hun weg naar praktiserende architecten en handwerkslieden. In 1673 werd Vitruvius integraal vertaald door de wetenschapper Claude Perrault (1613-1688). Na kritisch onderzoek relativeerde de absolute schoonheid van de verhoudingen van de orden, volgens hem was die meer op gewenning en mode gebaseerd. Hij actualiseerde Vitruvius tot een werk dat meer aansloot op de tijd en de architectuur praktijk in het koninkrijk van Lodewijk XIV. Hij bracht een directe zichtbare logica in de maatverhoudingen van de vijf ordes

Samenstelling en Redactie Mieke Rijnders en Patricia van Ulzen

Photo by Jan Tielens on Unsplash

Freek Schmidt

MvK02 – Rubricering

Begrip van kunst kan niet zonder kader, bijvoorbeeld chronologie als kader voor bestudering van de ontwikkeling. Maar één enkele rubriek kan niet volstaan. Herkomst, functie en techniek kunnen bijvoorbeeld een chronologisch kader onbruikbaar maken.

MvK03 – Kunst en context

Het begrip context – tijd en plaatsgebonden elementen – wordt geïllustreerd aan de hand van twee monumentale werken, gemaakt in opdracht van een vorstelijk heerser, Cosimo I de’Medici (1519-1574), bedoeld voor de openbare ruimte, het Pallazio della Signoria, ook wel Palazzao Vecchio in Florence.

MvK05 – Artistieke expressie en maatschappelijke functies

Het is binnen de Westerse cultuur algemeen geaccepteerd dat de Grieks-Romeinse oudheid haar bakermat is. Preciezer, onder ‘klassiek’ wordt verstaan: de Griekse cultuur van de 5e en 4e eeuw v.Chr. en de Romeinse van de 1e eeuw v.Chr. en de 2e eeuw n.Chr.

MvK06 – Kopie en navolging in het middeleeuwse bouwen

Stenen kerkgebouwen behoren tot de belangrijkste materiële overblijfselen van de middeleeuwen. Dit hoofdstuk gaat over de belangrijkste personen die bij de kerkbouw betrokken waren. Zij streefden bewust verwantschappen na met andere gebouwen, op verschillende manieren en niveaus.

MvK10 – Klassieke vormen en maatverhoudingen in de architectuur

De klassieke oudheid heeft in de ontwikkeling van de bouwkunst een grote rol gespeeld. Het gaat hier om architectuur in de periode 1420 tot 1750 en wel om het beroep dat in de architectuur van de renaissance, barok en rococo op de bouwkunst van de Romeinen is gedaan

MvK11 – Grafmonumenten

Sarcofaag van Junius Bassus | 359 https://youtu.be/YUzsxLi43gE Grafmonumenten Inleiding Hier ligt Poot, hij is dood. De Schoolmeester Hiermee is aangegeven waar het bij...

MvK13 – Vorm, identiteit en stijl in de architectuur en de beeldende kunst in de 19e eeuw

In de 19e eeuw stelt de architectuur zich voor de uitdaging om vorm en functie overeen te laten komen. In combinatie met de grootschalige infrastructurele projecten ontstaat zo een samenhangend, herkenbaar geheel, dat zijn oorsprong vindt in de vervlechting van beginselen uit de 17e en 18e eeuw. De zeggingskracht die de beeldende kunst bijdroeg aan die gebouwen was aanmerkelijk groter dan de architectonische.

MvK14 – Stijlvernieuwing als overlevingsstrategie

Concertgebouw, Amsterdam | 10 november 1902 | Jacob Olie Stijlvernieuwing als overlevingsstrategie Inleiding Een architect is een kunstenaar die zichzelf ook moet...

MvK15 – Leugens, waarder dan de letterlijke waarheid – de verbeelding van de werkelijkheid

The Hay Wain | John Constable |1821 Willy Lot's Cottage nu 'Leugens, waarder dan de letterlijke waarheid' de verbeelding van de werkelijkheid Inleiding Tweede helft 19e...

MvK16 – Van Matisse tot Newman

Female Lovers | Egon Schiele | 1915 Van Matisse tot Newman Inleiding De geschiedenis van de kunst van de eerste helft van de 20e eeuw wordt over het algemeen gezien als...

MvK17 – Vlucht uit het reservaat

Kunstvoorwerpen zijn vooral te bewonderen in musea. Dat was vroeger niet zo, of toch veel minder. Kunstenaars ervoeren voor- en nadelen. Voordeel is de beschermde wereld waar ze naar hartenlust konden experimenteren. Nadeel was dat contact met de rest van de maatschappij moeilijker werd en aan invloed verloor.

MvK18 – De stromingen voorbij

Chronologie en groepering naar lokale, regionale of nationale scholen zijn sinds Giorgio Vasari eeuwenlang de belangrijkste ordeningsprincipes geweest. Voorbeeld zijn de werken van Ernst Gombrich en Janson. Stijlbenamingen zijn doorgaans veel later ontstaan dan de kunst waarop ze betrekking hebben. Pas vanaf circa late 18e eeuw ontstaan vastere vormen.

1. Vitruvius man, Leonardo da Vinci (1490)

Print Friendly, PDF & Email