Select Page

Veelvormige dynamiek - H4

Europa in het ancien régime 1450-1800

De staat in opmars (vijftiende en zeventiende eeuw)

Introductie

De auteur, Maarten Prak, behandelt het moderniseringsproces in de diverse Europese staten en de belangrijke rol daarbij van de diverse betrokken vorsten, de standen en andere maatschappelijke groepen. Verder laat hij zien dat dit alles een sterke dynamiek teweegbracht in de werking van het internationale politieke systeem, dat zeker vanaf de zeventiende eeuw steeds meer op werkelijk Europese schaal begon te functioneren. Zo waren bij de vrede van Westfalen van 1648 (Osnabrück en Münster), na afloop van onder andere de Dertigjarige Oorlog, vrijwel alle belangrijke Europese vorsten betrokken.

De tendens tot centralisatie en stroomlijning van de staatsmacht loopt, evenals overigens het verzet daartegen, als een rode draad door de periode 1450-1800: in dit verband kan bijvoorbeeld worden gewezen op de Bourgondische centralisatiepolitiek in de tweede helft van de vijftiende eeuw, op het beleid in het uitgestrekte rijk (Spanje, de Nederlanden, het Duitse rijk, gebieden in Italië en in de Nieuwe Wereld) van de Habsburgse vorsten Karel V en Filips II in de zestiende eeuw, en gedurende de zeventiende eeuw in landen als Frankrijk (Hendrik IV, Lodewijk XIII en Lodewijk XIV, de Zonnekoning), Engeland (Jacobus I en Karel I) en Zweden (Karel XII).

In de achttiende eeuw werd dit proces van modernisering, bureaucratisering en vergroting van de staatsmacht voortgezet onder het bewind van verlicht-absolutistische en -despotische vorsten als Frederik de Grote in Pruisen, Peter de Grote en Catharina de Grote in Rusland en Maria Theresia en Jozef II in Oostenrijk. Die achttiende-eeuwse ontwikkelingen komen met name in hoofdstuk 7 nog uitvoeriger aan de orde. Dat de genoemde moderniserings- en centralisatiepolitiek, afhankelijk van specifieke omstandigheden, al vroeg ook weer de nodige weerstanden opriep, is niet verbazingwekkend. Zo kreeg Filips II vanaf 1566-1568 te maken met opstand in de Nederlanden, in Frankrijk had het hof de Fronde (1648-1653) te beteugelen, terwijl Karel I met een burgeroorlog (1642-1648) werd geconfronteerd. In al deze verzetshaarden speelde de adel een vooraanstaande rol; beduchtheid voor zijn tanende invloed in het heersende tijdsgewricht was in dit verband stellig een belangrijk motief.

Met de terugval van de adel nam ook de betekenis van het feodalisme af, hoewel het tot aan het einde van het ancien régime een kenmerkend maatschappelijk – en in uitgestrekte gebieden (niet alleen – zoals in hoofdstuk 1 is uiteengezet – in het oosten van Europa, maar bijvoorbeeld ook in Frankrijk en Spanje) nog zeer dominant en ook vitaal verschijnsel bleef, een omstandigheid die niet uit het oog mag worden verloren. De betekenis en de invloed van de burgerij in het maatschappelijk en economisch leven groeiden aanzienlijk, vooral in relatief verstedelijkte regio’s, en vertaalden zich her en der ook in een aansprekende staatkundige en politieke rol van de burgerij. De Noord-Italiaanse stadstaten, zoals Venetië, Florence en Genua, vormen hiervan een vroeg voorbeeld. Maar even aansprekend is in dit opzicht bijvoorbeeld de betekenis geweest van de in 1648 formeel erkende Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden. Ook de Republiek was relatief sterk verstedelijkt, al groeide alleen Amsterdam in de zeventiende eeuw uit tot een echte grote Europese stad (circa 200.000 inwoners).

De Republiek was ontstaan als vrucht van de Opstand tegen het wettige Habsburgse landsheerlijke gezag – in de vaderlandse historie ook wel als de Tachtigjarige Oorlog aangeduid (1568-1648) – en vanaf het begin oefenden stedelijke/burgerlijke belangen, en dan vooral de commerciële interesses van de kooplieden, een zeer grote en vaak doorslaggevende invloed uit op de werking van het staatsbestel en de (interne) politieke verhoudingen in de Republiek. Mede door de handel, maar ook door de relatief welvarende agrarische en nijverheidssector, vond in de Republiek een enorme kapitaalaccumulatie plaats. Het land was zo in staat een sterke vloot uit te rusten en, op uiteenlopende momenten, een omvangrijk leger op de been te brengen. De invloed en rol van de Republiek in de internationale verhoudingen stonden, zoals Maarten Prak treffend benadrukt, in geen verhouding tot haar relatief geringe bevolkingsomvang (die in de zeventiende en achttiende eeuw circa 2 miljoen bedroeg). Dat laatste gold overigens ook voor Engeland en, weliswaar in wat minder mate, Zweden.

Als belangrijke studeeraanwijzing mag hier worden gegeven dat u de stof van dit hoofdstuk zorgvuldig bestudeert in relatie tot met name de staatkundige kaarten 5, 6 en 7 in het handboek. Let daarbij uiteraard vooral goed op de veranderingen die in de tussenliggende periodes optreden, het verschijnen en verdwijnen van staten, dan wel de vergroting of verkleining van staten. Zoek verder de in de tekst genoemde vorsten en vorstenhuizen op in de bijlagen achter in het vademecum.

Leerdoelen

Inzicht in

  • de beperkingen waaraan de staat en staatsvormingsprocessen in de vroegmoderne tijd onderworpen waren
  • welke factoren en omstandigheden bijdroegen aan de opmars van de staat
  • de overeenkomsten en verschillen in het proces van staatsvorming
  • de internationale staatkundige verhoudingen in de vroegmoderne tijd.

Samenvatting

Inleiding

Na de val van het Romeinse rijk verkeerde eeuwenlang in chaos. Pogingen tot ordening van zoals door Karel de Grote, faalden. Deze feodale anarchie loste pas op met de komst van de New Monarchs in de 15e en 16e eeuw. Zij wisten de burgers te interesseren in een programma van modernisering en centralisering van het staatsgezag. Burgers hadden allang genoeg van het adellijke oorlogsvoeren en waren bereid belasting te betalen en de vorst als ambtenaar te dienen, in ruil voor orde en rust in de samenleving. De New Monarchs gebruikten de belastingopbrengsten om een staand leger onder eigen beheer te financieren. De machtsmiddelen van de staat waren belastingmonopolie en geweldsmonopolie.

Tot op de dag van vandaag zien historici een rechtlijnige ontwikkeling van binnenlandse dynamiek tussen vorst, adel en burgerij. Recent is er aandacht voor de veelvormigheid van het staatsvormingsproces en worden ook internationale betrekkingen meegenomen.

De beperkingen van de staat

Er is een kwantitative reden om internationale betrekkingen mee te nemen, er waren rond 1500 tussen de 80 en 500 staten in Europa, afhankelijk van de opvatting van het begrip ‘staat’. Johan de Witt: de Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden is niet samen een republiek, maar een federatie van republieken. Iedere provincie is een aparte soevereine republiek. Het aantal staten in Europa, dat overigens tegen het einde van de 19e eeuw sterk teruggelopen was. Inlijving bij een buurland was meestal het resultaat van een dynastieke gebeurtenis, of toepassing van geweld, of een combinatie van beide.

Uiteindelijk moest ook veroverd gebied rechtmatig bestuurd worden. Machiavelli kwam met een handboek voor een succesrijke regering “Il principe” (De vorst). Hoe moet men steden of machtsgebieden besturen die vòòr de verovering volgens eigen wetten leefden?

  1. verwoesten
  2. er zelf gaan wonen
  3. ze laten leven volgens hun eigen wetten, waarbij je dan in zo’n gebied belasting int en een regering aanstelt bestaande uit een klein aantal personen, die er voor moet zorgen dat het gebied met je bevriend blijft.

Filips II gaf opdracht tot methode 1 bij de opstand in Holland en Zeeland. Veel vaker werd methode 3 gebruikt, zoals Engeland en Wales nooit geheel fuseerden, de Oostenrijkse Habsburgers eigen wetten in Bohemen en Hongarije toestonden, Spanje onderscheid toestond tussen Castilië en Aragon met daarbinnen Catalonië en Valencia. En Filips II alleen koning van Portugal kon worden met de belofte van een status aparte voor Portugal. Vanaf 1620 gaat het mis als de Portugezen overvraagd worden op het gebied van belastingen en hulp bij het bedwingen van de opstand in Catalonie in 1640. Olivares, de raadgever van Filips IV, weet het aan Spanjes onvermogen om “eenheid en gelijkheid, gebruiken en regeringsvorm” aan de verschillende onderdelen van de Spaanse kroon, inclusief Portugal, op te leggen.

Vanaf de Renaissance hadden de meeste vorsten hun zinnen gezet op een uniformering van wetgeving, instellingen en belastingen binnen hun gebieden. Meestal echter moest de vorst genoegen nemen met compromissen die zij noodgedwongen moesten sluiten met lokale en regionale elites. Voorbeeld: Languedoc in Zuid Frankrijk. De streek had een eigen parlement, het recht van de drie standen om mee te praten over financiële aangelegenheden, een eigen rechtssysteem, andere vormen van vertegenwoordiging, zelfs een eigen adelsopvatting, kortom: regionale autonomie. Het Frans was in de Languedoc uitsluitend bestuurstaal.

De meeste conflicten in die tijd moeten gezien worden in het licht van de spanning tussen centrum en periferie. Plaatselijke autoriteiten zijn min of meer onafhankelijke machtsfactoren die onmisbaar zijn voor het functioneren van de staat. Ook de Nederlandse Opstand en de Schotse Rebellie zijn voorbeelden.

De persoonlijke betrekkingen waren van doorslaggevende betekenis voor het functioneren van iedere staat. Achter de formele structuren vinden we steeds opnieuw omvangrijke, informele patronagenetwerken. Gemeenschappelijke belang van een patroon en zijn cliënten. De patroon verwachtte loyaliteit en leverde in ruil daarvoor aan zijn cliënten ambten en andere voordelen. Het cliëntelisme werd versterkt door verwantschapsrelaties.

Patronagenetwerken bestonden vaak uit meerdere lagen, een patroon op een laag niveau was op zijn beurt weer de cliënt van iemand die hoger stond in de hiërarchie. Patronage was in de eerste plaats een systeem voor de verdeling van ambten; conflicten tussen rivaliserende netwerken of facties konden jarenlang het bestuurswerk verlammen.

Patronage
een alternatieve machtsstructuur naast de formele besluitvormingsstructuren van een staat. In de Nederlandse Republiek: luitenantsstadhouders die dankzij hun relatie met de stadhouder een enorme invloed konden uitoefenen in de regionale politiek. Dit netwerk was zeer stabiel door het persoonlijke karakter van de relaties, maar het onderhoud van al die relaties was zeer tijdrovend.

De vorst vormde het sluitstuk van de hele patronagepiramide. Zijn persoonlijkheid, zijn sociale vaardigheden, nodig voor het bijeenhouden van het netwerk, waren essentieel voor een succesrijke regering. De opvolging was altijd een spannend moment. De afwezigheid van een opvolger na het overlijden van de Spaanse koning Karel II in 1700 leidde tot de Spaanse Successieoorlog (1702-1713).

Het overweldigende imago dat Lodewijk XIV en andere absolutistische vorsten van zichzelf schiepen heeft velen doen geloven, dat zij de staatszaken tot in de details konden regelen. Het tegendeel was eerder waar. De beeldvorming was juist noodzakelijk omdat 17e eeuwse vorsten in hoge mate afhankelijk bleven van de persoonlijke loyaliteit van hun talrijke dienaren, mensen die er voortdurend op uit waren om hun eigen belangen te behartigen, en wier gedrag slechts in geringe mate werd beperkt door bureaucratische regels en voorschriften.

De opmars van de staat

Er werden vorderingen gemaakt met de hervorming en modernisering van het openbaar bestuur. Er kwam een scheiding tussen de regering en het Koninklijke huishouden op gang. Overheidsdienaren waren tot dan niet te onderscheiden van de dienaren van de vorst. Al ruim voor de Franse Revolutie kwam een eind aan die ondoorzichtige situatie. In plaats daarvan hieven overheden belastingen om hun taken te financieren, en al waren ambtenaren nog steeds trouw aan hun vorst verschuldigd, ze functioneerden ook aan de hand van reglementen die duidelijk maakten dat ze in dienst waren van een min of meer onpersoonlijke overheid.

Een vorst liet zich van oudsher adviseren door een raad van edelen die de vorst adviseerde en tegelijkertijd controleerde. De taken namen toe en er ontstonden nieuwe organen (voorlopers van ministeries). In Zweden ontstonden in de eerste helft 17e eeuw onder druk van de Dertigjarige oorlog onder de Raad van State vijf afzonderlijke afdelingen: kanselarij, departementen van financiën, justitie, oorlog en marine. Districten werden bestuurd door gouverneurs des konings. De economie was gecommercialiseerd om belastingen te kunnen heffen voor financiering van het leger.

In het Duitse hertogdom Württemberg ontstonden zes regeringsraden: Kanselarij, Hooggerechtshof, Domeinraad (Rentkammer) die de hertogelijke domeinen beheerde, Kerkelijke raad (Kirchenrat), Oorlogsraad en Geheime Raad, die laatsten voor het uitzetten van de militaire en algemeen-politieke beleidslijnen. De relaties tussen de hertog en zijn dienaren werden merkbaar formeler, de kanselier kreeg van de hertog een uitgbreide aanstellingsbrief, inclusief opzegtermijn.

In het verleden is veelvuldig gesuggereerd dat deze ontwikkelingen de burgerij in staat heeft gesteld haar onstuitbare opmars in de samenleving te maken, ten koste van de adel, de traditionele elite. Ambtenaren van burgerlijke afkomst zouden in de ogen van de vorsten betrouwbaarder dienaren zijn dan de magnaten, die de vorst toch een beetje als hun gelijke bleven beschouwen.

Volgens de auteur berust deze visie op twee misverstanden.

  1. De adel is geen statische klasse. Tijdens de vroegmoderne periode werden aan de lopende band burgers opgenomen in de adel.
  2. Hoge ambtenaren werden bijna steeds in de adelstand verheven, dit gold niet voor lagere ambtenaren.

Alleen in de Republiek gebeurde dit niet, waardoor met name in Holland de adel eind 18e eeuw bijna was uitgestorven.

Het aantal ambtenaren nam toe, maar is moeilijk te bepalen. Het is wel af te leiden aan de hoeveelheid papier, die werd geproduceerd in de vorm van wetten, ordonnanties, voorschriften, e.d. Ook de inhoud van beleid veranderde. De overheid begon zich steeds meer te bemoeien met het dagelijks leven. Verbodsbepalingen veranderden in positieve aanwijzingen, opdrachten om zich zus of zo te gedragen. Voorheen deden voorschriften een beroep op Gods gezag, nu een beroep op het algemeen belang. De kerk bleef echter onmisbaar als ideologische steunpilaar van de staat en als uitvoerende arm van het openbaar gezag. Kerken waren door veel staten na de Reformatie genationaliseerd en zelfs de katholieke kerk werd zonder moeite door de overheid ingeschakeld, als toezichthouder op de bevolking. Zoals in Zürich, waar de dorpelingen onderworpen waren aan het gezag van de Stillstand, een lokale instelling bestaande uit; de predikant als voorzitter, een vertegenwoordiger van de stedelijke autoriteit, een kerkenraadslid, leden van de dorpsraad. Zij was verantwoordelijk voor aangelegenheden met een morele kant, zoals armenzorg, kerkelijke discipline, onderwijs en antecedentenonderzoek van immigranten.

De volksvertegenwoordigingen worden in de geschiedenis vaak afgeschilderd als zeer conservatief en de modernisering saboterend, maar deze kritiek is volgens Prak eerder afkomstig van vorsten en ministers. Feit is dat staten met sterke vertegenwoordigende instellingen het over het algemeen heel goed deden. Een enkele uitzindering daargelaten zoals Pruisen (geen vertegenwoordiging) en Polen, waar de Sejm (Poolse landdag) effectief bestuur verhinderde.

Engeland is het klassieke voorbeeld van een effectief overheidsoptreden. Al sinds de Normandiërs in 1066 was het gezag gecentraliseerd. De Magna Carta begrensde de autoriteit van de vorst. De natuurlijke veilgheid van een eiland, voorkwam een voortdurende wapenwedloop met andere naties, telkens nopend tot bestuurlijke hervorming. Pas na de Glorious Revolution (1688-1689) – geleid door Willem III (van Oranje) – won de volksvertegenwoordiging het van de kroon. Het daar uit volgende parlement was modern omdat het niet was samengesteld uit vertegenwoordigers van de standen (dus deelbelangen), maar een afspiegeling was van de natie als geheel.

De Nederlandse Statenvergaderingen waren typerend voor het model dat overal op het continent kon worden aangetroffen. Ze waren regionaal qua reikwijdte en samengesteld uit vertegenwoordigers van verschillende corporatieve lichamen (of standen): de kerk, de adel en de steden. De derde stand (de burgerij) was nimmer als zodanig vertegenwoordigd, maar door de steden en meer in het bijzonder door de stedelijke besturen. In de Republiek ontbrak bovendien de clerus (behalve in Utrecht).

In de Staten-Generaal had elk gewest één stem, met als gevolg dat Overijssel op gelijke voet stond met Holland. In de gewesten idem: Amsterdam stond op gelijke voet met Schoonhoven. Johan Huizinga noemde het een staatsgewrocht. Toch was de Republiek in de 17e eeuw een ongehoord effectieve politieke organisatie, ondanks het feit dat elk gewest één stem had en dat voor elk besluit van de Staten-Generaal uitvoerig overleg met de gewesten nodig was. Door de gedecentraliseerde structuur had de Republiek een enorme (veer)kracht. De bevolking had aanzienlijk vertrouwen in het bestuur, staatsleningen (voor financiering van het leger) waren steeds weer volgetekend, ondanks de uitzonderlijk lage rente (4%).

De legers groeiden explosief. De Republiek kon zonodig 100.000 man op de been brengen, iedere soldaat betaald door 20 Nederlanders. De overheid was veruit de grootste werkgever, dankzij de talloze soldaten en matrozen. Legers werden professioneler, voor het gebruik van moderne wapens was uitgebreide training nodig. Vanaf 1500 waren troepen steeds meer permanent in dienst, het staande leger. De krijgsdienst werd een beroep. Soldaten in vreemde dienst waren geen huurlingen of avonturiers, maar specialisten. Niet betaalde soldaten konden (per nationaliteit) overgaan tot muiterij of overlopen naar de vijand. Als gevolg hiervan namen de staatsbudgetten in deze periode snel toe, net als de belastingen. In de 16e eeuw ontstonden permanente belastingen; de vorst hoefde niet incidenteel een beroep te doen. Meestal waren er twee typen belasting: heffing op onroerend goed en heffing op consumptie. Nergens was sprake van inkomstenbelasting. Door de grote rol van de verbruiksbelastingen (accijnzen) was de belastingdruk vaak zeer ongelijk verdeeld: de zwakste schouders droegen de zwaarste lasten. Belastingpachters inden de belasting uit naam van de overheid en probeerden daar vaak een slaatje uit te slaan. Er was geregeld oproer ook vanwege de oneerlijke verdeling. Engeland was het eerste land met een nationale bureaucratie die tot taak had de belastingen te innen.

De belastingopbrengsten alleen waren niet voldoende om de honger van de overheden naar geld te bevredigen. Regeringen moesten dus lenen. Filips II en zijn opvolgers ging geregeld bankroet. Een staatsbankroet betekende niet dat de staatsschuld volledig werd geschrapt. Meestal was het een tijdelijke opschorting van de rentebetalingen en een éénzijdige verlaging van de rentevoet, op zich erg genoeg voor de schuldeisers. De combinatie van sterk groeiende staatsschulden en een dalende rentevoet op die schulden demonstreren opnieuw, dat de overheden er in de loop van de 16e en 17e eeuw in slaagden zich effectiever te organiseren en een groter aandeel te verwerven van het nationaal inkomen.

Met de belastingen, het aantal ambtenaren en wetgeving op allerlei sociaal, religieus, economisch, onderwijs en moreel gebied, drong de overheid steeds verder door in het dagelijks leven van de gemiddelde Europeaan. In Nederland was de belastingdruk rond 1650 15% van de gewerkte tijd en in Frankrijk 30 werkdagen.

Variaties in staatsvorming

Onderlinge vijandigheid van europese staten leidde tot een wapenwedloop vooruitgang op het gebied van de wapentechnologie. Bewapening om niet ingelijfd te worden leidt tot steeds hogere militaire uitgaven.

Er was veel variatie in de positie van staten op het gebied van economie, gezag en omvang. Sommige hadden een agrarische economie andere een commerciële economie of een een sterk monarchaal gezag versus sterk vertegenwoordigende instellingen, grote landen en kleine landen. Het leidt tot verschillend beleid.

Maarten Prak

Veelvormige dynamiek – H00

Europa, 1450-1800. Traditie en vernieuwing, eenheid en verscheidenheid Dertien bijdragen van veertien auteurs, schetsend een aantal belangrijke en karakteristieke ontwikkelingen in (en rond) Europa in de periode van circa 1450 tot circa 1800. Bestaat er een...

Veelvormige dynamiek – H01

Bevolking, economie en sociale verhoudingen - divergente ontwikkelingen in Europa Inleiding Dit hoofdstuk gaat over de ingrijpende verschuivingen die in Europa na 1500 plaats vonden op het gebied van bevolking, economie en sociale verhoudingen. Het blijkt dat...

Veelvormige dynamiek – H04

De staat in opmars (vijftiende en zeventiende eeuw) Introductie De auteur, Maarten Prak, behandelt het moderniseringsproces in de diverse Europese staten en de belangrijke rol daarbij van de diverse betrokken vorsten, de standen en andere maatschappelijke...

Veelvormige dynamiek – H05

Politiek denken in de vroegmoderne tijd Inleiding Dit hoofdstuk is gewijd aan het politiek denken of de politieke theorie in de vroegmoderne tijd. Het is van belang om u te realiseren dat belangrijke essentiële elementen van de politieke theorie en het...

Veelvormige dynamiek – H08

Politieke theorie; 1650-1800 In de inleiding van dit hoofdstuk wordt het belangrijke onderscheid tussen een ‘ascending’ en ‘descending theory of government’ aan de orde gesteld en toegelicht. Dit onderscheid komt later in dit hoofdstuk, aan de hand van concrete...

Veelvormige dynamiek – H09

De Engelse, Amerikaanse, Franse en Nederlandse revolutie Introductie De titel van hoofdstuk 9 vermeldt al dat het hier om een studie van vier revoluties in vergelijkend perspectief gaat. Een dergelijk uitgangspunt biedt veel mogelijkheden maar kent ook...

Veelvormige dynamiek – H11

Kerk en religie in het confessionele tijdperk Introductie Centraal thema is hier hoe de oude rooms-katholieke kerk en de diverse nieuwe protestantse kerken (de nadruk ligt in dit geval op de lutherse, calvinistische en anglicaanse kerk) na de scheuring in het...

Veelvormige dynamiek – H12

De wetenschappelijke revolutie Introductie In dit hoofdstuk handelt het opnieuw om traditie en vernieuwing, maar ook om de overgang van geocentrisme naar , de weg van astronomie naar fysica, de betekenis...

Veelvormige dynamiek – H13

Rede en openbaring in de Verlichting Het laatste hoofdstuk van het handboek gaat over de Verlichting, die ook al in eerdere hoofdstukken ter sprake is gekomen. De auteur van dit hoofdstuk, Jan Wim Buisman, behandelt de Verlichting aan de hand van een aantal...

Europa rond 1500

Europa rond 1648

Europa in 1789

West-Europa bestond voornamelijk uit stadstaten en federaties van weinig politieke eenheid – tot Napoleon – gevormd vanuit feodale instellingen en tradities. Oost-Europese staten werden gevormd uit grote amorfe ruimten, met een veel lagere bevolkingsdichtheid. Centraal- en Oost-Europa hadden een lagere urbanisatiegraad en betrekkelijk weinig steden. Zij waren de voedselproducenten – graan in het Oostzeegebied en vee in Hongarije – en grondstoffen leveranciers – metalen in Zweden en Rusland en hout in Noorwegen en Zweden – van het Westen.

De heersers waren geobsedeerd door de mogelijkheden van economische vooruitgang en zagen de staat als motor. Frederik Willem (huis Hohenzollern) keurvorst van Brandenburg-Pruisen startte een hervormingsprogramma van uit het idee een gezonde staat steunt op een solide economie. Succes bleek uit de groei van Brandenburgs hoofdstad Berlijn.

Het middengebied van het continent – Italië, de Rijnvallei en de Lage Landen – was het meest verstedelijkt. Het waren knooppunten van handel en dus van kapitaal.Noord- en Midden-Italië en de Lage Landen waren de belangrijkste commerciële regio’s van Europa. Genua, Florence en Venetië. Brugge, Gent, Antwerpen en Amsterdam waren centra van het internationale handelsverkeer en beheersten economisch een enorm achterland rondom respectievelijk de Middellandse Zee en de Noordzee. Voor vorsten was het een uitgelezen kans om belasting te heffen, tegen lage inningskosten door de hoge concentratie van geld. Maar handelskapitaal was ook mobiel en dat gaf de steden een sterke onderhandelingspositie.

Bekendste voorbeeld van een koopliedenstaat was Venetië. De Maggior Consiglio (Grote Raad) beheerst door een stadsadel die gewoon handel bleef drijven hoewel dat elders voor adel niet was toegestaan. De Doge werd uit hun midden gekozen, zijn macht was niet erfelijk. De Republiek der Nederlanden leek in dat opzicht op Venetië, kenmerkend was de gedecentraliseerde bestuursstructuur, waar de handelsbelangen van de stedelijke elites zeer zwaar wogen (mercantilistische politiek). Frankrijk en Engeland waren nog voornamelijk agrarisch, met toch een behoorlijke belastingopbrengst.

Een Europese geschiedenis

Het bijzondere van het Europese staatsvormingsproces ligt in het ontbreken van imperia of keizerrijken waar volgens Max Weber initiatieven in de kiem werden gesmoord door almachtige heersers. In Europa leidde de onderlinge wedijver juist tot innovatie en hervorming mits het de vorst meer geld opleverde.

De enige uitzondering hierop is het Habsburgse Rijk, eigenlijk geen imperium, maar een zeer groot uitgevallen samengestelde staat, waarin hij Karel V zijn hele leven rondreisde. Bij zijn vrijwillig terugtreden in 1555 verdeelde hij zijn rijk in een Duits-Oostenrijks deel (Ferdinand) en een Spaans.Italiaans, Nederlands deel (Filips II). De echte imperia bevonden zich aan de grenzen van Europa: Rusland en de Balkan.

Net als andere Europese staten breidden de Ottomaanse en Russische imperia hun territorium voortdurend uit.

Rusland (of Moscovië) groeide van 430.000 km2 in 1450, naar 15,3 miljoen in 1700, 30 keer zo groot als Frankrijk. Het was onder Peter de Grote voor de overheid onmogelijk om diep door te dringen in de levens van de onderdanen van een dergelijk groot rijk. Onder de pomest’e moesten enkele tientallen gezinnen bijvoorbeeld een cavalerist onderhouden, die uiteindelijk zelf het geld kwam ophalen. In Rusland bleven ‘staatsslaven’tot in de 19e eeuw een aanzienlijk deel van het overheidsinkomen leveren. Idem Ottomaanse Rijk.

 

Zelftoets

Vraag 1

In zijn inleiding plaatst de auteur meteen een aantal terechte kanttekeningen bij het historio­grafische beeld over de rol en de betekenis van de zogenoemde New Monarchs. Een voor­beeld van de gangbare historiografische voorstelling treffen we aan in onderstaande tekst van E.F. Rice. Lees deze tekst en beantwoord daarna opgave 1 en 2.

‘The political organization of the European states reached a new level of efficiency in the century between the end of the Hundred Years’ War in 1453 and the Peace of Cateau-Cambrésis, which in 1559 brought to a close the Habsburg-Valois wars. Administrative centralization had begun long before 1453, with the first efforts of medieval rulers, after the political fragmentation which had characterised the feudal age, to establish a minimum of order in their domains and to build a more widely respected authority.

(…) By 1560, in the key monarchies of western Europe giant steps had been taken toward territorial unification, administrative centralization, and the magnification of royal power. The rapid accumulation of exclusive prerogatives by the central governments of France, Spain, and England – to make laws, to govern through legal, financial, and administrative officers, to tax, to declare war and make peace, to exercise ultimate jurisdiction, and to coin money – defines their transformation from feudal monarchies into sovereign territorial states. Thus we call them the new monarchies not because they broke abruptly with the past or because all feudal remnants had disappeared (…), but because their structures were sufficiently novel to mark a new period in the history of European political institutions. On these foundations were built the great sovereign monarchies of the seventeenth and eighteenth centuries.’

Bron:  E.F. Rice Jr., The foundations of early modern Europe 1460-1559, Londen, 19823, pp. 92, 105-106.

a. Welke verschillende functies kreeg het centrale gezag in de loop van de zestiende eeuw te vervullen?

antwoord

In de loop van de zestiende eeuw verwierf, volgens de voorstelling van Price, het centrale gezag in landen als Frankrijk, Spanje en Engeland de exclusieve rechten – en de macht – om functies te vervullen op het gebied van eenmaking van het bestuur, uniformering en uitoefening van wetgeving en hoogste rechtspraak, de aanstelling van ambtenaren, het heffen en innen van belastingen, oorlogen te verklaren en vrede te sluiten, het muntrecht en de organisatie van een staand leger.

b. Maarten Prak plaatst kritische kanttekeningen bij de gangbare voorstelling van de rol en de betekenis van de new monarchies, zoals in de tekst van Price. Geef aan welke?

antwoord

Prak wijst er terecht op dat de hele ontwikkeling rond de opkomst en modernisering van de new monarchies vooral als een nogal rechtlijnig succesverhaal wordt voorgesteld, dat bovendien is toegespitst op een heldenrol voor grotere staten en koninkrijken als Frankrijk, Engeland en Spanje. Er is relatief weinig aandacht voor de rol die kleinere staten en landen hebben gespeeld. Ook is de traditionele voorstelling nogal sterk gericht op de binnenlandse verhoudingen, waarbij de interacties tussen vorst, adel en burgerij bepalend zouden zijn geweest voor de loop en uitkomst der gebeurtenissen. Prak bena­drukt dat de feitelijke ontwikkelingen daarentegen een veel pluriformer karakter hebben gekend, en dat óók in het recente onderzoek meer aandacht is gekomen voor die veel­vormigheid van het hele proces. Men heeft meer oog gekregen voor alternatieve trajecten, en ook voor de rol en betekenis van relatief kleinere landen als Venetië, de Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden en Zweden. Ook is in de nieuwe literatuur de wissel­wer­king met de internationale betrekkingen veel meer op de voorgrond getreden, waarbij het aardig is nog te vermelden dat met name de kleine landen ook vaak als een dynamische factor fungeerden in de internationale politieke verhoudingen.
Vraag 2

Wie profiteerden het meest van de centralisering en modernisering van de staatsmacht en welke groepen gingen er relatief op achteruit? Voltrok deze ontwikkeling zich in heel Europa? Betrek bij uw antwoord ook de stof van andere hoofdstukken, met name de bijdragen van Duijvendak (1), Pollmann (6), Van de Sande/Wessels (9) en Van Rooden (11).

antwoord

Degene die het meest profiteerde van het hele proces was in de eerste plaats de vorst zelf. De centralisering van de staatsmacht ging hand in hand met de sterk toegenomen macht van de grote vorstelijke dynastieën als Habsburg, Valois, Bourbon, Tudor, Stuart en Wasa. Verder uiteraard ook de burgerij. In ruil voor het betalen van belastingen onderhield het centraal gezag een geregeld leger dat een einde kon maken aan de vele onderlinge oorlo­gen van de adel. Ook de uniformering van wetgeving en rechtspraak, en met name ook van de economische regelgeving, bevorderde de economische activiteiten van de burgerij, bijvoorbeeld op het gebied van handel en nijverheid. Uiteindelijk zou de groeiende eco-­no­mische macht van die burgerij zich zo ook vertalen in een toeneming van haar poli­tieke invloed. De groep die er relatief het meest op achteruit zou zijn gegaan, is de adel. De vorst was traditioneel sterk van de adel afhankelijk geweest zowel voor de uitrusting van zijn leger als voor de vervulling van hoge ambten. Zoals onder andere ook in de bijdrage van Judith Pollmann naar voren is gekomen, werd via het patronagesysteem voor hoge ambten nu steeds vaker personen van burgerlijke komaf gerekruteerd, terwijl in de legers betaalde huurlingen steeds meer de plaats gingen innemen van de feodale adel.

Maarten Duijvendak wijst er echter in hoofdstuk 1 al op dat deze ontwikkeling aan het Europa ten oosten van de Elbe goeddeels voorbij ging. Integendeel, met name vanaf de zeventiende eeuw zien we daar een ontwikkeling waarbij de adel haar positie wist te versterken (de ‘tweede feodaliteit’). In feite gaat het om twee zijden van één en dezelfde medaille: van de ontwikkelingen op economisch en commercieel gebied (zoals de mondia­lisering van de handel, maar bijvoorbeeld ook de gedurende zeer lange tijd relatief geringe prijsinflatie) wist vooral de burgerij in Zuidwest- en West-Europa te profiteren, maar ook de adel in het oosten. Zij waren alle immers onderworpen aan een en hetzelfde economische systeem dat in toenemende mate het hele continent, en nog meer, omspande. Ook bij de vertaling van economische macht van de burgerij in een groeiende politieke invloed kunnen kanttekeningen worden geplaatst. In de Republiek, bijvoorbeeld, was die politieke macht feitelijk al aanwezig op het moment dat haar economische bloeitijd begon. Andersom verkreeg de burgerij in Frankrijk pas werkelijk politieke invloed met de Franse Revolutie, en feitelijk dan ook nog kortstondig.

De positie van de geestelijkheid verdient aparte aandacht. Traditioneel ging het om een bevoorrechte positie óók in economisch opzicht. In Frankrijk en veel andere landen betaalde de geestelijkheid, net als de adel, bijvoorbeeld geen belastingen, terwijl zij (met name de hoge geestelijkheid en de kloosters) wel tot de grootgrondbezitters van het land behoorde (in de Republiek en diverse andere staten die naar het protestantisme over­gingen, werden echter de bezittingen van de rooms-katholieke kerk geconfisqueerd). Anderzijds verminderde in verschillende van de gecentraliseerde en gemoderniseerde staten de politieke invloed van de geestelijke stand. De versterking van de staatsmacht ging daar vaak ook gepaard met een verzwakking van de traditionele band tussen kerk en staat. Het centrale vorstelijke gezag slaagde er in een aantal gevallen in die band tussen kerk en staat te herformuleren op zijn voorwaarden. Mede door de Reformatie verkeerden de kerken met elkaar in concurrentie. De rooms-katholieke kerk was haar monopolie kwijtgeraakt. Om succesvol te kunnen blijven opereren, streefden de kerken, zowel de oude als de nieuwe, zoals Peter van Rooden in zijn bijdrage benadrukt, naar een succesvolle alliantie met de diverse staten, met andere woorden in relatief opzicht waren de kerken nu afhankelijker geworden van de medewerking van de overheid.

Vraag 3

In het ancien régime en zeker ook bij de door Maarten Prak behandelde ontwikkelingen waren de politieke rol en de macht van de vorst, de soeverein, en zijn dynastie onver­gelijkbaar veel groter dan wij vandaag de dag gewend zijn. Dynastieke politieke aan­gelegenheden, met name huwelijkspolitiek en afspraken rondom erfenissen, waren soms beslissend voor het lot van hele landen en volkeren. De machtigste vorst van zijn tijd was ongetwijfeld Karel V uit het Huis Habsburg (1500-1558). Geef aan over welke gebieden hij heerste en wat er na zijn troonsafstand met deze gebieden gebeurde. En hoe verging het verder met de Habsburgse dynastie? Maak bij de beantwoording van deze vragen niet alleen gebruik van de informatie uit de tekst en de kaarten van het handboek maar ook van de stambomen en de synchronistische tabel achter in dit vademecum.

antwoord

Karel V mag inderdaad gelden als de machtigste Europese vorst van de zestiende eeuw. Door verschillende erfenissen was hij in bezit gekomen van uitgestrekte gebieden in Europa en overzee. Van vaderszijde afstammend van de Oostenrijkse dynastie der Habsburgers, erfde hij de Habsburgse bezittingen in Oostenrijk (de Oostenrijkse erf­landen), het hertogdom Bourgondië, de zeventien provinciën der Nederlanden (door vererving of – bijvoorbeeld Gelre – door verovering), en Franche-Comté. Via zijn Spaanse grootouders van moederskant vielen hem de tronen van Aragon (waarbij in die tijd ook het hele zuidelijke deel van Italië: Napels, Sicilië en Sardinië behoorden) en Castilië toe, met alle Spaanse bezittingen in het nieuw ontdekte werelddeel Amerika. In 1519 werd hij bovendien door de Duitse keurvorsten tot keizer van het Duitse rijk gekozen. Zo heerste Karel V over een rijk ‘waarin de zon nooit onderging’. In feite was dit uitgestrekte impe­rium, waarbinnen elk gebied voor een groot deel zijn eigen wetten en tradities behield en bovendien zijn eigen politieke en economische belangen had, nauwelijks bestuurbaar.

Bij zijn troonsafstand in 1555-1556 verdeelde Karel V zijn rijk dan ook tussen zijn jonge­re broer, aartshertog Ferdinand, en zijn zoon Filips II. Oostenrijk, Bohemen, Hongarije en de Duitse keizerskroon gingen naar Ferdinand en zijn erfgenamen – de tak der Oostenrijkse Habsburgers. Filips II erfde Spanje (dat hij in 1580 wist te verenigen met Portugal; een situatie die duurde tot 1640), met alle bezittingen in Italië en de Nieuwe Wereld, en de Nederlanden. Hij vormde met zijn afstammelingen de Spaanse tak van de Habsburgers.

Met het kinderloos overlijden van Karel II (1665-1700) stierf de dynastie van de Spaanse Habsburgers uit, hetgeen een strijd om de Spaanse erfenis deed ontbranden: de Spaanse Successieoorlog (1701-1713/1714). Die strijd was in feite een grote Europese coalitie­oorlog waarbij de grote vorstenhuizen van dat moment, Bourbon (Lodewijk XIV van Frankrijk) en de Oostenrijkse Habsburgers, betrokken waren. In de beginfase trad de Nederlands-Engelse stadhouder-koning Willem III van Oranje op als een van de belang­rijkste regisseurs. Die strijd was ook zo belangrijk omdat deze een eind dreigde te maken aan het Europese machtsevenwicht in de internationale staatkundige verhoudingen, zoals dat min of meer ontstaan was na de vrede van Westfalen. De Spaanse Successie­oorlog eindigde met de vrede van Utrecht. Deze creëerde een nieuw evenwicht. Lodewijk XIV slaagde erin zijn kleinzoon Filips op de Spaanse kroon te krijgen (die als Filips V van 1700-1746 zou regeren), het begin van de tak van de Spaanse Bourbons, onder de conditie dat de kronen van Spanje en Frankrijk gescheiden zouden blijven. Verder stond er ook een herschikking van de nodige gebiedsdelen tegenover. Als compensatie verwierf Oostenrijk toen onder andere de Zuidelijke Nederlanden (het Noorden was al in 1648 onafhankelijk geworden), en Italië (Milaan, Napels en Sicilië).

Vraag 4

Kaart 4.1 toont het Middellandse Zeegebied (en de Balkan) in de periode 1495-1620 (1797). Beschrijf de geopolitieke situatie die u aantreft en besteed daarbij speciale aan­dacht aan de positie van Spanje en het Turkse rijk, dat vanaf de tweede helft van de vijftiende eeuw zijn intrede deed op het Europese toneel. Betrek bij uw antwoord ook de informatie in de synchronistische tabel, achter in het vademecum.

antwoord

In het westelijk gedeelte van het Middellandse Zeegebied kenmerkte Spanje zich door een krachtige expansie, in het oosten het Ottomaanse rijk. Laatstgenoemde verwierf grote gebieden op de Balkan en het Midden-Oosten, Spanje had (via de troon van Aragon) Zuid-Italië, inclusief Sicilië en Sardinië, verworven en (via Castilië) grote gebieden in Amerika. Spanje en de Ottomanen troffen elkaar in diverse oorlogshandelingen. Dat was al het geval geweest ten tijde van Karel V, die de Turken had bestreden tot in Algerije en Tunesië. De strijd werd voortgezet onder Filips II voor wie de oorlog tegen de Turken een heilige zaak was. Beide Habsburgers zetten daarmee in feite buiten Spanje de oude Reconquista van de vorsten van Castilië en Aragon voort, de herovering door de Spaanse christenen van het Iberisch schiereiland op de Moren, die voltooid werd met de val van Granada in 1492. De slag bij Lepanto (1571) maakte een einde aan het oprukken van de invloed van de Ottomanen naar het westen. Het centrale deel van het Middellandse Zeegebied (Italië) kwam daarmee voor heel lange tijd in de Spaanse invloedssfeer terecht.

In het begin van de zestiende eeuw hadden de Turken hun gebied en invloedssfeer op de Balkan al snel uitgebreid. Zo hadden ze in 1526 Hongarije veroverd en sloegen ze in 1529 het beleg voor Wenen. Aan het oprukken op de Balkan kwam een eind in 1683, toen de Turken opnieuw voor Wenen door een coalitie onder leiding van de Poolse vorst Jan Sobieski werden verslagen. Daarna werden de Turken heel geleidelijk verder teruggedrongen. Zo werden ze bij de vrede van Karlowitz (1699) gedwongen Hongarije op te geven. Andere gebieden zouden in de loop van de achttiende en negentiende eeuw volgen.

Print Friendly, PDF & Email