Select Page

Veelvormige dynamiek - H13

Europa in het ancien régime 1450-1800

Rede en openbaring in de Verlichting

Het laatste hoofdstuk van het handboek gaat over de Verlichting, die ook al in eerdere hoofdstukken ter sprake is gekomen. De auteur van dit hoofdstuk, Jan Wim Buisman, behandelt de Verlichting aan de hand van een aantal tegenstellingen en vergelijkingen die vervolgens worden uitgewerkt en met tal van voorbeelden worden geïllustreerd. U neemt bijvoorbeeld kennis van de radicale Verlichting (met name het deïsme) versus de meer gematigde christelijke Verlichting. U leert over de verschillende verschijningsvormen van het deïsme. De fysicotheologie past, zoals de term ook al suggereert, dan weer bij de christelijke Verlichting. Een belangrijk aspect is het ontstaan van een optimistischer mensbeeld. De gevolgen daarvan komen hier ook aan de orde.

De meer gematigde christelijke Verlichting (moderate Enlightenment) kan ook weer in een katholieke en protestantse variant worden onderscheiden. Specifieke kenmerken daarvan komen in dit hoofdstuk ter sprake. Vervolgens wordt ingezoomd op de protestantse Verlichting in Nederland en Duitsland. Kunnen hierbij nationale kenmerken worden onderscheiden? Tot slot wordt de protestantse Verlichting in Nederland ook nog eens geduid aan de hand van enkele internationale kenmerken. Bij dit alles wordt ook aandacht gevraagd voor de geschiedschrijving over de Verlichting (historiografie).

Inleiding

Een van de tegenstellingen die de periode van de verlichting (1680-1800) kenmerken, is de spanning tussen rede (ratio) en openbaring (revelatio). De confrontatie ermee leidde tot heel uiteenlopende reacties. Het verst gingen in hun denken de deïsten, aanhangers van de radicale verlichting. Zij namen de rede als norm en daarom kon voor hen de geopenbaarde godsdienst hoogstens een bevestiging bieden van de godsdienstige inzichten die de ratio ieder mens reeds van nature verschafte. Tot de belangrijkste opvattingen van deze aangeboren oergodsdienst, de zogenaamde ‘natuurlijke religie’, behoorde in hun ogen onder andere het voorzienigheids­geloof.

Bij andere mensen riep de spanning tussen rede en openbaring juist apologetische reacties op. Als aanhangers van de moderate Enlightenment, een gematigde, christelijke variant van de verlichting, beklemtoonden zij enerzijds de rationele basis van het geloof en anderzijds de ontoereikendheid van de rede in de ontraadseling van het leven. Wie bijvoorbeeld de natuur bestudeerde, kon huns inziens niet anders dan diep overtuigd raken van het bestaan, de wijsheid en de almacht van de milde Schepper – een gedachtegang die karakteristiek is voor wat wel de fysicotheologie wordt genoemd. De openbaring vulde vervolgens op harmonieuze wijze aan wat de rede nog ontbrak.
Voor de aanhangers van de orthodoxie ten slotte – zowel de protestantse als de (augustiniaans-)katholieke – was de veronderstelling van een dergelijke harmonie tussen ratio en revelatio, tussen natuur en openbaring/genade, ten enenmale onacceptabel. In hun ogen betekende dit compromisdenken bijvoorbeeld een afwijking van het pessimistische mensbeeld dat zij van oudsher aan de bijbel ontleenden. Zij weigerden het op een akkoordje te gooien met welke variant van de verlichting dan ook.

De radicale verlichting had een zeer beperkte aanhang onder de westerse culturele elite. Veel breder was de steun voor de christelijke verlichting, al bleef ook deze goeddeels beperkt tot een geletterde bovenlaag. Het accent op een min of meer gespiritualiseerde godsdienst deed bij de aanhangers ervan de confessionele grenzen soms wat vervagen. Het overgrote deel der mensen, zeker uit de lagere socioculturele milieus, bleef echter de oude waarheden toegedaan, de protestantse of de katholieke.

Niet alleen de radicale, maar ook de christelijke verlichting was een Europese, ja westerse aangelegenheid. Nationale verschillen waren er veel meer ten aanzien van specifieke onderdelen of omstandigheden. Zo was in de christelijke verlichting in Duitsland en Nederland meer dan elders de invloed van het piëtisme aanwezig. En wat de Nederlandse situatie betreft, valt bovendien op dat juist de economische achteruitgang in de achttiende eeuw auteurs zich deed richten op het roemrijke verleden van de Gouden Eeuw en hen als het ware kopschuw maakte voor radicaal-verlichte nieuwlichters die het verband tussen godsdienst en zeden wilden doorsnijden. De traditionele historiografie die op grond hiervan een meewarige kijk op de ‘pruikentijd’ had, moet dan ook als verouderd worden beschouwd, omdat de Republiek gezien de populariteit van de fysicotheologie en het veld winnen van een optimistischer mensbeeld met name onder de dissenters, wel degelijk aansluiting had bij de christelijke verlichting elders.

Leerdoelen

  • inzicht in de verschillende soorten deïsme
  • kunnen aangeven welke plaats de fysicotheologie en de optimistischer wordende antropologie innemen binnen de christelijke verlichting
  • kunnen aangeven hoe verlichte protestanten en verlichte katholieken, elk op grond van hun eigen traditie, in het bewuste tijdvak enerzijds naar elkaar neigen, anderzijds toch hun eigen karakter bewaren
  • vertrouwd zijn met de internationale en nationale kenmerken van de protestantse verlichting in Duitsland en Nederland
  • het verschil kunnen aangeven tussen de oudere historiografie over de (christelijke) verlichting in ons land en de recente geschiedschrijving over dit onderwerp.

Samenvatting

Inleiding

De Verlichting betreft cultuurperiode tussen 1680 en1800. De ongrijpbaarheid van de term wordt veroorzaakt door de innerlijke tegenstrijdigheden en contrasten. Zoals de tolerantie versus het fanatisme en de sociaal-politieke dynamiek van de Verlichting (alle mensen zijn gelijk) versus de behoudzucht van de (geprivilegieerde) aanhangers van het ancien regime.

Aanhangers van de Verlichting hadden het gevoel zich te bevrijden van oude ballast als onverdraagzaamheid, onmondigheid of regelrechte politieke onderdrukking, en achtten zich tevens alleszins in staat die veranderingen zelf te beïnvloeden. Door middel van hun ondervinding (dwz de empirische methode) en hun onbevooroordeelde, analytische verstand.

Dit kritische, verlichte klimaat had invloed op kerk en religie. De stellige zekerheden hadden voor de aanhangers van de Verlichting weinig vanzelfsprekends meer. Gevolg was een onmiskenbare secularisering.

Weinigen waren zo radicaal als de ‘pantheïstische’ filosoof Benedictus de Spinoza (1632-1677). Voor Spinoza en zijn geestverwanten, Koerbagh en Meyer was de rationalistische filosofie het instrument bij uitstek voor de interpretatie van de openbaring. Bijgevolg werden niet alleen wonderen, maar ook bepaalde dogma’s zoals die van de drie-eenheid en de goddelijke voorzienigheid verworpen; ja zelfs de mogelijkheid van een goddelijke openbaring als zodanig werd ontkend.

De invloed van deze radicale denkbeelden bleef vooralsnog zeer beperkt. De spanning tussen rede en openbaring was alom aanwezig evenwel sterk variërend naar tijd en plaats.

Het deïsme

De 18e eeuw staat bekend als de eeuw van de rede. Het gezag van de kerk, overlevering en openbaring werd aan het kritische oordeel van de rede onderworpen.

Deïsme (God als ‘horlogemaker’) is een natuurlijke religie, ook radicaal genoemd. Het verstand beschikt van nature, dus zonder de hulp van enige genade, over het vermogen het bestaan en wellicht ook de eigenschappen van God te doorgronden. Overigens ontkenden sommige deïsten de mogelijkheid van een goddelijke openbaring allerminst! De deïst Matthew Tindal beschouwt de christelijke godsdienst als een vorm waarin de natuurlijke religie opnieuw bekend wordt gemaakt. Het substraat (de ondergrond) van het christendom en van alle positieve godsdiensten was met andere woorden, de ieder mens aangeboren redelijke religie, en deze gold bij deïsten dan ook als het enige criterium waaraan de plausibiliteit en de waarde van godsdienstige uitspraken mochten worden afgemeten. Voor het specifieke van de christelijke openbaring was in deze opvatting geen plaats.

Volgens de deïsten waren de positieve godsdiensten niets anders dan verbasteringen van een onnatuurlijke, monotheïstische oerreligie. Overwoekerd door priesterbedrog en bijgelovigheid. Terugkeer naar een religieuze natuurtoestand zou relatief makkelijke zijn, indien men durft te vertrouwen op gezond verstand en het openbaringsgetuigenis van Bijbel, Koran, of Veda door de nuchtere toepassing van historische, natuurwetenschappelijke en zedelijke kritiek waagt te “reinigen”. Hermann Samuel Reimarus beschouwde erfzonde en predestinatie als uitvindingen van de apostel Paulus. Het deïsme is een complex van kritische, ondogmatische opvattingen omtrent het begrip “openbaring”. Het pleidooi voor de natuurlijke religie ging daarbij als vanzelf gepaard met de afwijzing van het exclusieve waarheidsmonopolie dat het christendom reeds van oudsher claimde.

Deïsten zijn beïnvloed door de newtoniaanse fysica en vooral door de levensbeschouwelijke conclusies die daaraan zijn verbonden. Het is onjuist het afstandelijke godsbeeld (van een God die niet ingrijpt, ofwel de planeten draaien hun baan – sinds de newtoniaanse fysica – ook zonder Hem) kenmerkend te achten voor het gehele deïsme. Sommige deïsten (vooral Engelse) dachten genuanceerder, sloten de mogelijkheid van openbaring niet uit en richtten zich liever naar Stoa die wel uitging van een voorzienige Goddelijke leiding. Dat veranderde niets aan het fundamentele wantrouwen waarmee zij door de aanhangers van het geïnstitutionaliseerde christendom werden bejegend.

Het deïsme bestreden: het ontstaan van de moderate Enlightenment

Het deïsme lokte al vroeg apologetische (verdedigende) reacties uit. In de vorm van kerkelijke verweerschriften. De deïsten probeerden de werkingssfeer van de geopenbaarde godsdienst in te perken door te wijzen op de irrationele elementen daarin. Joseph Butler zette zich af tegen het deïsme in zijn verweerschrift Analogy of Religion, Natural and Revealed waarin hij de redenering omdraaide en waren het juist de raadsels van de natuur die het ontoereikende karakter van het deïsme aantoonden. De goddelijke genade (de openbaring) vulde hier op harmonische wijze aan wat de rede ontbrak. Beide waren noodzakelijk, maar elk had haar eigen terrein.

De Moderate Enlightenment bood een tussenweg tussen de radicale vrijdenkerij enerzijds en de strikte theologische orthodoxie anderzijds. Het best te typeren als een symbiose tussen rede en openbaring. Hierbinnen was er sprake van een beperkte radicale stroming met onder andere David Hume en een bredere gematigde vooral gedragen door de philosophes. De radicale stroming van deïsten plaatste zich buiten en tegenover de kerk, de gematigde stelde er juist een eer in het religieuze erfgoed aan te passen aan wat zij zag als de eisen van de moderne tijd.

De fysicotheologie

De Moderate Enlightenment was niet louter een verweer tegen het radicale deïsme. De grote natuurkundige ontdekkingen hadden de wereld zo veel groter gemaakt. Was de individuele mens meer dan een toevallige klontering van materie in een relatieve uithoek van het heelal? Zo ontstond een natuurlijke theologie die de radicale deïsten wel tegemoet wilde komen. Viel de voorzienigheid Gods immers met het verstand niet in te zien uit de doelmatigheid van de natuur? In de Fysicotheologie (voortgekomen uit de scholastische theologia naturalis) leert men de schepper kennen uit zijn schepselen, dat was het doel en de pretentie van deze bijzondere vorm van natuurlijke godgeleerdheid.De fysicotheologie was voor de Moderate Enlightenment niet louter een redmiddel (apologie) voor de goddelijke openbaring. Er was ook een authentiek religieuze drijfveer.

Leren uit het boek van de natuur toonde de grootsheid, almacht en voorzienigheid van de schepper. De Providentie had de wereld zo ingericht dat zij in alles het nut der mensen diende. Zelfs de paalworm had zìjn economisch nut voor de Noorse leveranciers. Inherent aan deze teleologische opvatting was een zekere harmonie in de schepping, een kosmisch optimisme (Leibniz). De heer was voor de aanhangers van het Moderate Enlightenment – bij de protestanten nog meer dan bij de katholieken – een milde verzorger een breuk met het beeld de oud-testamentische strenge bestraffer. Vrijzinnige groeperingen als de arminianen dachten al zo en onder hen bevonden zich de meest enthoiusiaste aanhangers van de fysicotheologie.

De protestantse orthodoxie, zeker de calvinistische, vroeg zich af of de menselijk rede door de erfzonde niet al zo grondig verduisterd dat haar zonder de hulp van de goddelijke genade welhaast iedere competentie in religieuze zaken moesten worden ontzegd. Naarmate het mensbeeld optimistischer werd steedg ook onder die groep de aanhang voor de fysicotheologie.

Een optimistischer mensbeeld en de gevolgen daarvan

Rede in combinatie met een positiever mensbeeld was samen met de fysicotheologie kenmerkend voor de christelijke Verlichting. Niet alleen bij de protoverlichte groep van de Engelse dissenders, maar ook in goed katholieke kring leefden al veel langer tamelijk optimistische denkbeelden over de menselijke natuur. Heel wat intellectuelen uit die tijd kregen zo’n groot vertrouwen in de menselijke rede dat zij haar in staat achtten de gevolgen van de erfzonde in belangrijke mate te herstellen. Niet onwil maar onkunde was de diepste oorzaak van de ellende van de mens en daarom vormde de verspreiding van het licht der kennis het middel bij uitstek tot het bereiken van het individuele en sociale geluk. Dat was Gods plan. Rede en openbaring, natuur en genade lagen in elkaars verlengde, zowel voor protestanten als katholieken. Volgens Jacques Abbadie mocht de mens dan niet volmaakt zijn, als “verstandig” christen kon hij althans in belangrijke mate vervolmaakbaar heten. Volgens John Locke was de (tabula rasa) mens een ‘in hoge mate opvoedbaar wezen’, waarmee de noodzaak van een zorgvuldige educatie, zowel binnens- als buitenshuis naar voren kwam.

De christelijke verlichting volgde (voorzichtig) Rousseau in diens denkbeelden over een opvoeding die zoveel mogelijk bij de aard en de leeftijd van het kind zou aansluiten. Ook op het educatieve vlak diende de theologische en taalkundige imitatio van de traditie – loutere nabootsing van (oude) voorbeelden – plaats te maken voor de zogenaamde aemulatio, een poging het voorgeslacht op een creatief-kritische manier opzij of liever nog voorbij te streven.

J.B. Basedow stichtte het Philantropinum in Dessau, een groep pedagogen (filantropijnen) volgde hem in een educatie gebaseerd op belonen, zelfredzaamheid, discussie en spelend leren. Belonen en af en toe een zedenles was beter dan (lijf)straffen.

De opvatting van de (volstrekte) opvoedbaarheid van de mens had ook voor de bejegening van volwassenen belangrijke consequenties. Een streven naar Volksaufklärung, een weinig radicale en vaak wat paternalistische vorm van Verlichting die vooral beijverde vooroordelen en bijgeloof te bestrijden bij de minder ontwikkelden in stad en land. Deze optimistische antropologie van de menselijke waardigheid leidde ook tot mildere strafrechtelijke praktijk. De autoriteiten moesten zich richten op heropvoeding van delinquenten en misdaadpreventie.

De vertegenwoordigers van de moderate Enlightenment gingen uit van een optimistische antropologie en pleitten voor een morele regeneratie van de maatschappij met behulp van humane rationaliteit.

Twee varianten van de christelijke Verlichting: katholische Aufklärung en protestantse Verlichting

De fysicotheologie en de optimistischer wordende antropologie waren verschijnselen die zich niet al te veel aantrokken van nationale of confessionele grenzen. Vertegenwoordigers van de katholieke Aufklärung waren verlichter en optimistischer dan hun protestantse collega’s.

Vertegenwoordigers van de katholische Aufklärung waren verlichter in hun optimisme over de mogelijkheden van de rede en de menselijke natuur. Anderzijds hadden ze tov de protestanten nog de ballast van bijgeloof in de moederkerk. een symbiose tussen ratio en revelatio volstaat niet voor een Aufklärer, het zal verenigd moeten worden met de barokke (onredelijke) tradities, van processies en verering van heiligen en relikwieën. Het leergezag van de paus was nog acceptabel, maar niet de blinde gehoorzaamheid. De piramidale gezagsuitoefening in de trant van het Concilie van Trente was een belediging voor de redelijke natuur van mondige mensen. Vooral in kwesties van tucht en liturgie diende aan de afzonderlijke parochies en hun geestelijke leiders een ruimere mate van autonomie te worden gegund. Diensten moesten in de volkstaal (ipv Latijn) en meer zijn dan mechanische volbrenging van religieuze riten, leidend tot het verwijt van obscurantisme.

De verlichte protestantse theologie had een breder draagvlak dan de katholieke – tot op zekere hoogte was de katholische Aufklärung een van buiten en van boven aan de leken opgelegde zaak. In verlicht-protestantse kring, óók bij calvinisten en lutheranen, groeide de invloed van hen die een ruime tolerantie op dogmatische gebieden voorstonden, onmiskenbaar. In liturgie en sacramentsbediening moest het mogelijk worden het Latijn te vervangen door de volkstaal. Historicus G May beschouwde de katholische Aufklärung als een-op-weg-zijn naar het protestantisme.

De protestantse Verlichting in Duitsland en Nederland: nationale kenmerken?

Nationaal kenmerk van de Verlichting in Duitsland was de typisch protestantse stroming van het piëtisme – de laat 17e eeuwse geloofsbeweging die vooral het beleven van de godsdienst met het innerlijk en met de daad stimuleerde, een protestantse Verlichting. Het piëtisme had ook raakvlakken met de Aufklärung, vanwege de voorrang voor het leven boven de leer, de nadruk op de praxis pietas in plaats van dogmatische begrippen als erfzonde en predestinatie. Kerkhistoricus Scholder wees op het betrekkelijk ongecompliceerde samengaan van piëtisme en Verlichting, deze symbiose van een vrome, doch niet uitgesproken dogmatische verstandhouding met de openbaring en een rationalistische, utilitair gebruikte ethiek, is een typisch Duits verschijnsel. Het is een verschuiving van dogmatiek naar ethiek.

In Nederland bestond een onderscheid tussen twee soorten piëtisme:

  1. een stroming die voortkwam uit de 17e eeuwse traditioneel-gereformeerde bevindelijkheid en minder openstond voor verlichte invloed
  2. een moderne, minder dogmatische variant van meer evangelische signatuur

Intussen ging het economisch (relatief) minder wat gewijd werd aan de verbastering van oudvaderlandse deugden. In combinatie met het positieve mensbeeld liep de weg naar herstel van de glorie van de Gouden Eeuw via zorgvuldige beoefening van wetenschap en kunst. Deze groeiende gerichtheid op de roemrijke vaderlandse historie – onderdeel van de opkomst van het culturele natie besef overal in Europa – impliceerde dat de geletterde elite in ons land zich maar al te graag afsloot voor alles wat zij als onverenigbaar beschouwde met dit ideaal. Godsdienst, ethiek en welvaren waren nauw verbonden. Voor radicale verlichting was men weinig ontvankelijk.

De hoofdstroom van de Verlichting in Nederland mag dan een gematigd karakter hebben, maar radicale geluiden ontbraken niet. Allereerst Spinoza, maar ook de spectatoriale periodieken van J.C. Weyerman en W. van Swaanenburg lieten andere, kantiaans verlichte geluiden horen.

Concluderend, de overwegend christelijke toonzetting van de verlichting in Europa is een gemeenschappelijk kenmerk.

De protestantse Verlichting in Nederland: internationale kenmerken

Geschiedkundigen kregen pas na 1960 oog voor de christelijke verlichting, daarvoor richtte men zich op de grote denkers. Het leidde tot een herwaardering van de 18e eeuw (geëmancipeerd van het vervaldenken) waarin onmiskenbare blijken van culturele vitaliteit te vinden waren, zoals de sterke groei van het lezerspubliek en de vooraanstaande positie van de Nederlandse natuurwetenschappen.

Aansluiting bij het Modern Enlightenment blijkt uit de populariteit van de fysicotheologie. Denk aan het werk van Bernard Nieuwentijt, Willem Jacob ‘s Gravesande en Petrus van Musschenbroek. Vooral in de tweede helft van de 18e eeuw kwam het harmonieus samengaan van godsdienst en natuurwetenschap op gang. Beroemdste landgenoot was destijds de gereformeerde predikant Johannes Florentius Martinet. Geleidelijk aan kreeg de natuurwetenschappelijke kant wel het overwicht, wat geen afwijzing van de openbaring betekende. Immers de fysicotheologie ging er slechts aan vooraf. In kringen van dissenters ging het wel als filter werken bij Bijbelexegese (Paulus van Hemert en Jan Konijnenburg)

De 18e eeuwse Nederlandse cultuur voldeed ook aan het tweede internationale criterium van de christelijke Verlichting: een optimistischer wordend mensbeeld. Men zocht de oorzaak van gevallen van wreedheid in een verkeerde opvoeding, en ontkende de erfzonde. Deugdzaamheid was aan te leren en daarom diende ook in Nederland de educatie een grondige verbetering te ondergaan. Mensen waren niet alleen opvoedbaar, zij waren zeker ook heropvoedbaar. Denk aan John Locke en de filantropijnen. Een bescheiden humanitaire hervormingsbeweging achtte het strenge straffen ongeschikt in de strijd tegen criminaliteit. Het leidde tot herziening van de rechtspraak, betere armenzorg, afschaffing van de slavernij en oprichting van de dierenbescherming. Ook de Maatschappij tot Redding van Drenkelingen werd opgericht en het Instituut voor Doofstommen.

De 18e eeuw was (na 1760) de eeuw van rede én van (humanitair) gevoel. Doch bovenal was zij de tijd van rede en openbaring beide.

 

Zelftoets

Vraag 1
Buisman rekent in deze leereenheid af met enkele wijdverbreide onjuistheden in de historiografie over het deïsme en de christelijke verlichting. Noem die onjuistheden en geef aan welke opvattingen Buisman ervoor in de plaats stelt.

antwoord

Aan het slot van paragraaf 1 wordt erop gewezen dat het afstandelijk godsbeeld niet van toepassing is op alle varianten van het deïsme. In Buismans definitie van het deïsme figureert dan ook niet een God die zich van zijn Schepping niets aantrekt, zoals in andere definities vaak wel gebeurt. Deïsme wordt gelijkgesteld aan ‘natuurlijke religie’, de ‘redelijke’ oergodsdienst die ieder mens is aangeboren. In paragraaf 3.1 en 3.2 opponeert Buisman tegen de stelling dat het overwegend christelijke, c.q. protestantse karakter van de verlichting in de Republiek een typisch Nederlands verschijnsel is. Voor heel Europa geldt dat de radicale verlichting weinig aanhang had; de verlichting droeg overal een overwegend christelijke signatuur. Buisman bekritiseert in dit verband ook de auteurs die aan de verlichting in het Duitse rijk een specifiek piëtistisch karakter toekennen (paragraaf 3.1).
 
Vraag 2
Welke visie spreekt uit het volgende fragment van Pope’s “essay on man”?

‘All nature is but art, unknown to thee; All chance, direction which thou canst not see; All discord, harmony not understood; All partial evil, universal good; And, spite of pride, in erring reason’s spite, One truth is clear, Whatever is, is right.’

antwoord

De geciteerde passage getuigt van Pope’s beperkte vertrouwen in de capaciteiten van de rede en zijn onbeperkte geloof in een universele harmonie. In elke regel stelt hij de ontoereikendheid van de rede aan de kaak: wat op de mens overkomt als toeval, tegenstrijdigheid en kwaad is in werkelijkheid onderdeel van een providentiële orde. De eerste regel verklaart zelfs de tegenstelling tussen de natuur en de kunst tot een paradox: de natuur is een kunstwerk van God, dat de mens in wezen niet kan doorgronden. De falende ratio mag echter geen reden zijn om het axioma van de universele harmonie in twijfel te trekken.
Vraag 3
Sommige stromingen in het christendom waren van nature beter toegankelijk voor de Verlichting dan andere. Welke waren dat en waarin bestond die gunstige dispositie?

antwoord

Een belangrijk bestanddeel van de verlichting is de optimististische visie op de mens en zijn verstandelijke vermogens. Dat optimisme was van nature al eigen aan vrijzinnig protestantse groeperingen als latitudinairen, arminianen, socinianen en sommige doopsgezinden. Ook het katholicisme had vanouds een vrij optimistische kijk op de mens, zeker in vergelijking met de protestantse orthodoxie, al legde de erfzondeleer daar een schaduw overheen. Een ander kenmerk van de vrijzinnig protestanten is hun milde godsbeeld: God is een wijze, providentiële vader, niet de strenge Wreker waarvoor zowel katholieken als orthodoxe protestanten Hem aanzagen. Het geloof in een zachtmoedige God maakte de vrijzinnig protestanten bijzonder ontvankelijk voor de fysicotheologie, waarin rede en openbaring elkaar niet beconcurreren maar juist completeren.
 
Vraag 4
Is het fysicotheologische uitgangspunt ook terug te vinden in het denken van Descartes?

antwoord

De aanhangers van de fysicotheologie streefden naar een symbiose of verzoening van rede (ratio) en openbaring (revelatio). Descartes daarentegen bepleitte een strikte scheiding tussen natuurwetenschap en theologie: beide disciplines hebben een geheel eigen methodiek en onderzoeksobject. Alleen door die taakverdeling kon worden voorkomen dat de natuurwetenschappers aan de leiband van theologen zouden moeten lopen. De affaire Galilei heeft Descartes in die overtuiging gesterkt.
   
Vraag 5a
Op welke onderdelen kwam het programma van de katholieke verlichting overeen met het protestantse gedachtegoed?

antwoord

De katholieke verlichting kwam de Reformatie tegemoet op de volgende punten:
  • het verzet tegen (uitwassen bij) volksdevoties die in het protestantse kamp doorgingen voor ‘paapse superstitiën’ (zoals de verering van heiligen en relikwieën)
  • de democratisering van de liturgie (vervanging van Latijn door volkstaal)
  • de nadruk op decentralisatie van het gezag, eigen verantwoordelijkheid, vrije meningsuiting en individuele spiritualiteit
  • het vroege christendom als inspiratiebron.
Vraag 5b
waarin onderscheidden katholieke en protestantse verlichting zich van elkaar?

antwoord

Verschillen tussen katholieke en protestantse verlichting:
  • De protestantse verlichting had een veel breder draagvlak onder de gelovigen doordat de bijbelstudie door leken een protestantse traditie was en bleef.
  • De kritiek op kerkelijke instellingen is karakteristiek voor de katholieke verlichting.
 
Vraag 6
Bestudeer de onderstaande tekst, waarin W.E. de Perponcher (1741-1819) een uiteenzetting geeft over de overdracht van godsdienstige opvattingen. Heeft deze tekst een deïstische of een christelijk-verlichte strekking?

‘En inderdaed, of de Chineesen het den Chamti, de Amerikaenen den Grooten Geest, wy God, of Jehova noemen, altoos en by allen is het toch het opperste aller weezens, dat de waereld heeft voortgebragt of bestierd. En dus hebben wy met alle deeze volken het zelfde grondleerstuk van Godsdienst, voor zo verre naemlyk het eerste en eenigste, of ten minsten voornaemste voorwerp deszelven betreft. Dit moet men bovenal in ’t oog houden, wanneer men een Heidensch volk bekeeren wil. Men moet het niet zo zeer aenzetten om deszelfs Godsdienst te verzaeken, om er eene andere te omhelzen, als wel om deszelfs Godsdienst te zuiveren van alle bygeloovigheeden te bevryden en tot een redemaetiger samenstel te verheffen. […] En dan zal ‘t niet meer moeilijk vallen, het gebouw van de eenvoudige oorspronklyke leer des Evangeliums op deezen grond te vestigen. […] wilt gy iemand van zyn gevoelen tot het uwe overhaelen? Zoek dan eerst wat aen de beide gevoelens gemeen is en begin van dat punt, als van eenen gemeenen merkpael. […] Begin met den geenen dien gy [uw gevoelen] wilt doen omhelzen, in ’t bezef te brengen dat gy ’t inderdaed in den eersten en voornaemsten grond genoegzaem eens zyt, en alleen in de bykomende byzonderheeden verschilt. Dit zal hem ten voordeele uwer begrippen in neemen. Ontvouw dan langzaemerhand deeze byzonderheden van verschil; met die geenen beginnende, die ’t naeuwst met de hoofdzaek, over welke gy ’t inderdaed eens zyt, verbonden zyn. En gaet dus al verder en verder voort. Paulus zelf stelde ons ’t voorbeeld te Athenen, wanneer hy den inwooneren dier vermaerde stad den God der christenen voorstelde, als den geenen, wien zy onder den naem van den onbekenden God reeds eenen altaer hadden toegeweid […].’

antwoord

De missionaire, specifiek christelijke doelstelling maakt duidelijk dat we hier niet te maken hebben met een deïst, maar met een christelijk-verlichte auteur. De natuurlijke religie (het deïsme) wordt beschouwd als een opstapje naar de geopenbaarde godsdienst. Bij bekeringsactiviteiten kan het gemeenschappelijk geloof in een opperwezen als uitgangspunt dienen. Vergelijk in dit verband ook De Perponchers beroep op de apostel Paulus aan het slot van het fragment.

Jan Wim Buisman

Veelvormige dynamiek – H00

Europa, 1450-1800. Traditie en vernieuwing, eenheid en verscheidenheid Dertien bijdragen van veertien auteurs, schetsend een aantal belangrijke en karakteristieke ontwikkelingen in (en rond) Europa in de periode van circa 1450 tot circa 1800. Bestaat er een...

Veelvormige dynamiek – H01

Bevolking, economie en sociale verhoudingen - divergente ontwikkelingen in Europa Inleiding Dit hoofdstuk gaat over de ingrijpende verschuivingen die in Europa na 1500 plaats vonden op het gebied van bevolking, economie en sociale verhoudingen. Het blijkt dat...

Veelvormige dynamiek – H04

De staat in opmars (vijftiende en zeventiende eeuw) Introductie De auteur, Maarten Prak, behandelt het moderniseringsproces in de diverse Europese staten en de belangrijke rol daarbij van de diverse betrokken vorsten, de standen en andere maatschappelijke...

Veelvormige dynamiek – H05

Politiek denken in de vroegmoderne tijd Inleiding Dit hoofdstuk is gewijd aan het politiek denken of de politieke theorie in de vroegmoderne tijd. Het is van belang om u te realiseren dat belangrijke essentiële elementen van de politieke theorie en het...

Veelvormige dynamiek – H08

Politieke theorie; 1650-1800 In de inleiding van dit hoofdstuk wordt het belangrijke onderscheid tussen een ‘ascending’ en ‘descending theory of government’ aan de orde gesteld en toegelicht. Dit onderscheid komt later in dit hoofdstuk, aan de hand van concrete...

Veelvormige dynamiek – H09

De Engelse, Amerikaanse, Franse en Nederlandse revolutie Introductie De titel van hoofdstuk 9 vermeldt al dat het hier om een studie van vier revoluties in vergelijkend perspectief gaat. Een dergelijk uitgangspunt biedt veel mogelijkheden maar kent ook...

Veelvormige dynamiek – H11

Kerk en religie in het confessionele tijdperk Introductie Centraal thema is hier hoe de oude rooms-katholieke kerk en de diverse nieuwe protestantse kerken (de nadruk ligt in dit geval op de lutherse, calvinistische en anglicaanse kerk) na de scheuring in het...

Veelvormige dynamiek – H12

De wetenschappelijke revolutie Introductie In dit hoofdstuk handelt het opnieuw om traditie en vernieuwing, maar ook om de overgang van geocentrisme naar , de weg van astronomie naar fysica, de betekenis...

Veelvormige dynamiek – H13

Rede en openbaring in de Verlichting Het laatste hoofdstuk van het handboek gaat over de Verlichting, die ook al in eerdere hoofdstukken ter sprake is gekomen. De auteur van dit hoofdstuk, Jan Wim Buisman, behandelt de Verlichting aan de hand van een aantal...
Print Friendly, PDF & Email