Select Page

Veelvormige dynamiek - H11

Europa in het ancien régime 1450-1800

Kerk en religie in het confessionele tijdperk

Introductie

Centraal thema is hier hoe de oude rooms-katholieke kerk en de diverse nieuwe protestantse kerken (de nadruk ligt in dit geval op de lutherse, calvinistische en anglicaanse kerk) na de scheuring in het Christendom als gevolg van de Reformatie in de zestiende eeuw reageerden op de veranderingen in de samenleving. Opvallend is dat de verschillende kerken een aantal overeenkomstige strategieën hanteerden. Er is ook aandacht voor polemiek, zowel binnen de afzonderlijke kerken als tussen de verschillende kerken. De auteur werkt zijn stellingen en opvattingen uit aan de hand van tal van concrete voorbeelden. U wordt geacht deze ook te kennen. In paragraaf 2 komt aan bod hoe de kerken in het confessionele tijdperk de gelovigen met argumenten probeerden te winnen voor hun leer. Vroomheid werd belangrijk, niet alleen als een collectief streven voor het kerkvolk als geheel, maar ook de vroomheid van de individuele gelovige (‘popularisering van het christendom’). Ook het verzet tegen deze tendens komt in deze paragraaf aan bod. De kerken werden ook meer en meer verbonden met de verschillende staten. Ook voor dat proces is aandacht. Tot slot wordt (de ontwikkeling van) de opvattingen van de verschillende kerken over en als gevolg van de Verlichting besproken. Ook de vele in paragraaf 2 genoemde voorbeelden en details zijn vaak illustratief voor de verschillende in hoofdlijnen beschreven ontwikkelingen en processen. Daarom wordt u geacht deze ook te kennen en te kunnen plaatsen.

Inleiding

De auteur van hoofdstuk 11, Peter van Rooden, wijst op het opvallende verschijnsel dat de ontwikkeling van de katholieke en protestantse kerken in de periode tot aan het einde van de achttiende eeuw een groot aantal overeenkomsten en parallellen vertoont, zowel op de gebieden die traditioneel tot de kerkgeschiedenis worden gerekend, als op het terrein van de religieuze belevingswereld van de gewone gelovigen. Het tot voor enkele decennia ook in de geschiedwetenschap zeer gangbare gebruik van de termen ‘Reformatie’ en ‘Contrareformatie’ als aanduiding voor op elkaar volgende periodes en wezenlijk verschillende ontwikkelingen bij katholieken en protestanten is dan ook aanvechtbaar en verwarrend. Beter is het om te spreken van ‘het tijdvak van het confessionalisme’, omdat deze term zich leent voor zowel een traditioneel kerkhistorische als een sociaal-historische benadering, en men zo vermijdt katholicisme en protestantisme al te makkelijk tegenover elkaar te stellen, waarbij men deze als modern en gene als reactionair beschouwt.1 Ook de Contrareformatie kan beschreven worden als een modernisering, in de zin van een aanpassing of geschiktmaking van de gelovigen aan veranderende en nieuwe sociale verhoudingen.2


Kerk en religie Europa in het midden van de zestiende eeuw

Het tijdperk van het confessionalisme begint met de scheuring van de christenheid aan het einde van de eerste helft van de zestiende eeuw. De schok en crisissfeer die hiervan het gevolg waren, hielpen zowel bij protestanten als katholieken hervormingsaanzetten tot een doorbraak. De onderlinge concurrentie als gevolg van de scheuring dwong katholieken en protestanten tot kerkelijke en politieke strategieën die in veel opzichten met elkaar overeenstemden.

Deze bij katholieken en protestanten overeenkomstige ontwikkelingen, die het confessionele tijdperk zijn eigen karakter verleenden, hadden betrekking op een drietal gebieden:

  • Het streven om het denken, handelen en voelen van alle gelovigen te laten beantwoorden aan de standaarden van de kerk. Men zou dit de popularisering van het christendom kunnen noemen. Hiervoor was een drastische hervorming van de geestelijkheid noodzakelijk.
  • Het verbond met de nieuwe staten, dat noodzakelijk was om de eigen kerk tegen concurrerende confessies te verdedigen en alle gelovigen te onderwijzen en te disciplineren.
  • De ontwikkeling van een eigen christelijk leerstelsel, dat zich onderscheidde van leerstelsels van andere kerken, de bestrijding van deze andere leerstelsels, de verspreiding van de eigen leer bij alle gelovigen en de verplichte oplegging daarvan door de staat.

Elk van deze drie elementen van het confessionalisme kende zijn eigen ontwikkeling. Zowel het succes als het falen van pogingen op deze drie gebieden riep tegenkrachten en veranderingen op, die de basis van het confessionele tijdperk uiteindelijk weer aantastten. Toch zou de uitwendige structuur daarvan in stand blijven tot aan de Franse Revolutie.

Bestudeer bij de stof van dit hoofdstuk ook kaart 9 van het handboek (blz. 46). U krijgt dan een goede indruk van de geografische spreiding van de belangrijkste kerken in Europa bij het begin van het tijdperk van het confessionalisme (circa 1550).

Leerdoelen

Na het bestuderen van hoofdstuk 11 en leereenheid 11 dient u vertrouwd te zijn met

  • de problematiek met betrekking tot de begrippen ‘Reformatie’, ‘Contrareformatie’, ‘katholieke reformatie’ en ‘katholieke hervorming’
  • de redenen om het begrip ‘confessioneel tijdperk’ te hanteren
  • de drie in de introductie van deze leereenheid omschreven elementen van het confessionalisme
  • de ontwikkeling van de belangrijkste kerkhistorische opvattingen bij protestanten en katholieken tijdens het ancien régime
  • de opkomst van de historisch-filologische bijbelkritiek en de invloeden van de verlichting op het christendom
  • de omstandigheden waardoor het confessionele tijdperk aan zijn eind kwam.

Begrippen en hun problemen: Reformatie, Contrareformatie, katholieke hervorming, kerstening van Europa

Een van de centrale stellingen van de auteur is dat aan het traditioneel gangbare gebruik van termen en begrippen als ‘Reformatie’ en ‘Contrareformatie’ nogal wat problemen kleven. Het klakkeloos gebruik van deze termen kan verwarring wekken en is zelfs tot op zekere hoogte misleidend omdat zij vooral de nadruk lijken te leggen op de onderlinge verschillen tussen de katholieke en protestantse kerken, terwijl, zoals opgemerkt, ook van belangrijke overeenkomsten en vergelijkbare strategieën sprake is geweest. Om de betreffende problematiek te verhelderen, schreef de auteur van hoofdstuk 11 van het handboek, Peter van Rooden, bij een eerdere gelegenheid onderstaand stuk.3

Reformatie

Luther at the Diet of Worms

De historische begrippen waarmee de ontwikkelingen van het Europese christendom in de zestiende en zeventiende eeuw worden beschreven, zijn alle sterk gekleurd door waarde­oordelen, die soms het zicht op de historische werkelijkheid belemmeren. Dat geldt al voor het begrip ‘Reformatie’. Luther zelf gebruikte dit woord nooit om te verwijzen naar de gebeurtenissen waarbij hij betrokken was. Het gebruik van de term ‘Reformatie’ als aanduiding voor een historische periode en een fase in de kerkgeschiedenis kwam pas op in zeventiende-eeuwse polemieken tussen protestanten over de vraag of Luther of Calvijn meer had bijgedragen aan het herstel van de kerk. Pas rond 1700 ontstond het gebruik om met ‘Reformatie’ de periode aan te duiden tussen 1517, het begin van Luthers openbare optreden, en 1555, het jaar van de vrede van Augsburg, waarbij het lutheranisme erkend werd binnen het Duitse rijk. Leopold von Ranke bezegelde in de eerste helft van de negentiende eeuw dit gebruik van de term, waarbij de Reformatie en de ontwikkeling van het lutheranisme gelijkgesteld werden. Een dergelijke periodisering impliceert bij veel auteurs dat het geestelijk genie Luther in een plotselinge doorbraak tot een geheel nieuwe visie op het christendom kwam en dat deze visie daarna grote delen van de Europese christenheid overtuigde.

De geschiedenis van het protestantisme wordt dan beschreven als de manier waarop Luthers unieke inzicht van kracht bleef, soms verduisterd, maar altijd weer in gezuiverde vorm naar voren gebracht. Tot op heden heeft deze interpretatie grote invloed.4

Contrareformatie

Adoration of the Magii – Peter Paul Rubens

Een vergelijkbare ontwikkeling kenmerkt het begrip ‘Contrareformatie’. Deze term kwam op in de tweede helft van de achttiende eeuw als aanduiding voor een juridisch-politieke gebeurtenis: de terugvoering van een protestants geworden gebied tot het katholicisme door de overheid. Men kon het woord dus in het meervoud gebruiken en spreken over verschillende contrareformaties. Toen men zich afvroeg wat de oorzaak van deze gebeurtenissen was, stuitte men op het herstel van de katholieke kerk aan het eind van de zestiende en in de eerste helft van de zeventiende eeuw. De inwendige kracht om zichzelf in deze periode niet alleen te handhaven maar zelfs verloren gebied te herwinnen, bleek de oude kerk aan het concilie van Trente (1545-1563) ontleend te hebben. Op dat concilie had de kerk een aantal hervormingsmaatregelen en beslissingen op het gebied van de leer genomen, die haar karakter ingrijpend veranderd hadden. Het woord ‘Contrareformatie’ werd zo de aanduiding voor een verandering van de katholieke kerk, die zo belangrijk was dat ze haar naam kon geven aan een tijdperk. Hoewel ook Ranke het woord nog in het meervoud gebruikte, is het bij hem eigenlijk al de aanduiding voor de periode tussen de vrede van Augsburg en het concilie van Trente enerzijds en de vrede van Westfalen (1648) anderzijds. Deze eeuw vormt in zijn ogen het tijdperk van de met politieke, militaire en religieuze middelen ondernomen katholieke tegenaanval op de Reformatie onder leiding van het pausdom, die eindigt met het ontstaan van een nieuwe status-quo. In Rankes nationalistisch gekleurde visie was deze religieuze strijd tegelijk een romaans offensief tegen de Germaanse landen.5

Vanuit dit perspectief is de Contrareformatie niet meer dan een verzet tegen de doorbraak van het ware geloof. Ze was louter reactionair. Hedendaagse varianten van deze geschiedopvatting zien in de Reformatie het begin van de modernisering van de Europese maatschappij. Met de religieuze hervormingen van de zestiende eeuw zou de intellectuele basis gelegd zijn voor de industriële maatschappijen die na 1750 ontstonden. Ook volgens deze visies is de Contrareformatie niet meer dan een secundaire reactie, een poging tot restauratie.

Katholieke hervorming

Katholieke historici hadden uiteraard bezwaar tegen deze voorstelling dat de verbetering van hun kerk haar aanleiding zou hebben gevonden in een ketterij, en niets anders zou zijn dan een reactie daarop. Bij hun onderzoek naar de wortels van de Contrareformatie stuitten zij op verschillende pogingen tot verbetering van de kerk, die deels aan het optreden van Luther voorafgingen. Men gooide alles op deze eerdere hervormingspogingen en sprak, in navolging van de protestant W. Maurenbrecher, van ‘katholieke Reformatie’.6 Maurenbrecher had het bestaan van een eigen katholieke hervormingsbeweging naast, en onafhankelijk van de protestantse, erkend en grote aandacht geschonken aan de wisselwerkingen tussen beide bewegingen.

Protestantse geleerden wilden deze terugvoering van zestiende- en zeventiende-eeuwse katholieke hervormingen op eerdere initiatieven wel toegeven, maar zij zagen daarin slechts de bevestiging van hun eigen gelijk. De contrareformatorische hervormingen waren dan immers alleen een opleving van middeleeuws gedachtegoed, terwijl Luther iets geheel nieuws gebracht had. ‘Reformatie’ was de term voor zoiets geheel nieuws, en het was in hun ogen dus onjuist te spreken over een ‘katholieke Reformatie’. Zij bleven ook wijzen op het onloochenbare feit dat de katholieke kerk scherp op de protestanten reageerde en dat deze reactie haar handelingen vergaand bepaalde.

Om zowel de continuïteit van het katholieke hervormingsstreven, als de reactie van de kerk op de Reformatie tot uitdrukking te brengen, stelde de katholieke historicus Jedin een compromisformule voor door twee verschijnselen in de katholieke kerk in de zestiende en zeventiende eeuw te onderscheiden: ‘katholieke hervorming (in het Duits: Reform in plaats van Reformation) en Contrareformatie’.7 Deze formulering vond ook bij protestantse geleerden ingang. Het ontstaan van het protestantisme veroorzaakte in Jedins ogen niet het katholieke streven naar hervorming, maar ruimde wel de belemmeringen op die de effectieve doorvoering van dit streven altijd in de weg hadden gestaan. Deze doorbraak van eerdere pogingen tot verbetering noemde hij ‘katholieke hervorming’. Daarnaast onderscheidde Jedin de middelen waarvan de katholieke kerk zich vooral sinds het midden van de zestiende eeuw bediende om de strijd tegen het protestantisme met succes te kunnen voeren. Hij dacht daarbij aan de vastlegging en verdediging van de leer, de ontwikkeling van een strijdbare vroomheid en het gebruik van kerkelijke en politieke dwangmiddelen. Deze ontwikkelingen noemde Jedin ‘Contrareformatie’. Beide aspecten van de geschiedenis van de katholieke kerk in de zestiende en zeventiende eeuw vinden in zijn ogen hun eenheid in de ontwikkeling van het pausschap. Het door de katholieke hervorming innerlijk versterkte pausschap gebruikte de vrijgekomen religieuze krachten en haar politieke mogelijkheden voor de strijdbare doelen van de Contrareformatie.

Jedin is een van de grote representanten van de traditionele kerkgeschiedenis, die bovenal gericht was op de kerk als institutie, dus op haar inwendige opbouw, haar verhouding met de staat, de ontwikkeling van haar leer. Maar zelfs binnen zijn in wezen traditionele opzet springen de overeenkomsten tussen de ontwikkeling van de protestantse en katholieke kerken in de zestiende en zeventiende eeuw in het oog. Wat Jedin onder­scheidt als de contra­reformatorische aspecten van de vernieuwing van het katholicisme – de ontwikkeling van een polemische dogmatiek, een strijdbare vroomheid, en het gebruik van politieke dwangmiddelen in verbond met de nieuwe staten – is ook te vinden bij de verschillende protestantse kerken. Wat hij de ‘katholieke hervorming’ noemt – de verbetering van de zielzorg, van de kwaliteit van de geestelijkheid, en van de organisatie van de kerk in aansluiting bij laatmiddeleeuwse en humanistische aanzetten – deed zich eveneens voor binnen de protestantse kerken. De bewustwording van de scheuring van de christenheid betekende voor zowel de nieuwe als de oude kerk een schok, die het mogelijk maakte een omvattend hervormingsprogramma te verwezenlijken.

De kerstening van Europa

De overeenkomsten tussen de ontwikkeling van de katholieke en protestantse kerken in de vroegmoderne tijd zijn nog duidelijker geworden door de recente aandacht voor het geloofsleven van de leken en de rol van de godsdienst als een factor in het sociale leven. Men heeft wel voorgesteld Reformatie en Contrareformatie te beschouwen als twee vleugels van één beweging, die eenzelfde soort individualistische en geestelijke vroomheid trachtte te verspreiden onder de Europese christenen. De bekendste verdediger van deze these is de Franse katholieke historicus Jean Delumeau.8 Zijn these luidt dat Europa in de middeleeuwen, zeker op het platteland, eigenlijk nauwelijks gekerstend was. Al wat de middeleeuwse kerk daar had bereikt, was het aanbrengen van een dun christelijk vernis over wat in wezen nog heidense praktijken waren. De Europese plattelandsbevolking leefde in een magisch universum, vol geesten en demonen. De ontwikkeling van de katholieke en protestantse kerken in de zestiende en zeventiende eeuw moet volgens Delumeau begrepen worden als een poging aan deze situatie een eind te maken. In aansluiting bij een al ouder streven trachtten zij Europa voor het eerst werkelijk te kerstenen. In zijn visie leken katholieken en protestanten dus niet alleen op elkaar in de manier van de opbouw van hun kerken, waartoe zij gedwongen werden door hun onderlinge concurrentie, maar ook in een belangrijk, formeel aspect van hun boodschap.

Het probleem met Delumeaus these is zijn opvatting over wat werkelijk christelijk is. Maar ook los van de vraag of het geloof van de middeleeuwse plattelandsbevolking beschreven moet worden als heidens of christelijk,9 is het duidelijk dat de katholieke geestelijkheid, net als de protestantse, trachtte onder de leken een nieuw soort geloof te verspreiden dat veel persoonlijker en intellectueler was dan het middeleeuwse. Ook de katholieke kerk trachtte in de zestiende en zeventiende eeuw het gedrag en de gedachten van de gewone gelovigen te beïnvloeden en te disciplineren op een manier die nooit eerder gebruikelijk was geweest.

Samenvatting

Inleiding

Ontwikkeling katholieke en protestantse kerken in de vroegmoderne periode vertoont grote parallellen in

  • interne opbouw van de geestelijkheid
  • haar verhouding tot de staat
  • de ontwikkeling van haar leer
  • de veranderingen die kerken op het gebied van handelen, denken en voelen bij de gelovigen teweeg proberen te brengen.

Het tijdperk van het confessionalisme begon met de scheuring van de Christenheid in de eerste helft van de 16e eeuw. De onderlinge concurrentie die het gevolg was van de scheuring dwong katholieken en protestanten tot kerkelijke en politieke strategieën, die vergaande overeenkomsten vertoonden. Deze strategieën kenden hun eigen dialectiek. Zowel hun succes als hun falen riep tegenkrachten en veranderingen op, die de basis van het confessionele tijdperk aantastten. Toch bleef de uitwendige structuur daarvan in stand tot de Franse Revolutie.

Het confessionele tijdperk

Sociale disciplinering en de hervorming van de geestelijkheid

La leçon de cathéchisme – Jules-Alexis Muenier (1890)

De joden, de vijand van de christenheid, bewaarden het Oude Testament, waaruit de christenen de waarheid van hun geloof konden afleiden. Christenheid duidde zowel een geloof als een gebied aan, waarbinnen de Joden dankzij Augustinus werden getolereerd. Volgens Augustinus een symbool van Gods soevereine verkiezing (ooit het verkoren volk) en verwerping. Hun aanwezigheid diende de christenen tot nederigheid aan te zetten. Het is niet verwonderlijk dat deze theologische garantie van de tolerantie ten opzicht van de joden gering bleek. Tussen 1470 en 1570 werden ze vrijwel overal uit Europa verdreven.

Sinds de 13e eeuw waren theologische argumenten ontwikkeld die de argumentatie van Augustinus aantastten. Door de bevolking werd aandrang uitgeoefend om de joden te verdrijven. Tussen 1470 en 1570 werden ze vrijwel overal uit Europa verdreven. De protestantse kerken namen de beslissing het ideaal van de ongedeelde christenheid te handhaven toen ze, tot ergernis van de hervormers die voor het ritueel geen bijbelse grond zagen, besloten de kinderdoop te blijven bedienen. Met dit ritueel handhaafden ze de fundamentele eenheid van kerkelijke en burgerlijke gemeenschap.

Effect van het ideaal van de christenheid was dat niet alleen de joden werden verdreven, maar ook dissidente christelijke groepen. Vrijwel overal diende men zich te conformeren aan de religieuze houding van de overheid of te vertrekken. Dit principe van cuius regio, illius religio werd in Duitsland vastgelegd met de Vrede van Augsburg 1555. Niet de kerk gaat over, maar de bevolking.

In Frankrijk werden de Hugenoten in 1685 gedwongen zich te bekeren. Een paar decennia laten werden duizenden Lutheranen verdreven door de aartsbisschop van Salzburg. Dergelijke uitdrijvingen waren altijd een zaak van de overheid. Wat ook de houding van de overheid was, de scheuring van het christendom leidde ertoe dat de grote kerken hun pretentie om binnen één gebied het monopolie op het ware geloof te bezitten nu met veel meer kracht dan voorheen ter hand moesten nemen.

De belangrijkste middelen waarmee de kerken zich van elkaar trachten te onderscheiden en de gelovigen hun eigen identiteit in te scherpen waren geloofsonderwijs en het gebruik van rituelen. Het belangrijkste leerboek werd de catechismus, waarin de voor iedere kerk eigen geloofsbelijdenis werd geleerd en uitgelegd. De Protestanten begonnen er mee, snel gevolgd door de katholieken. Petrus Canisius ontleende zijn opzet voor een Duitse catechismus aan die van Luther, Edmond Auger, een Franse jezuïet, de zijne aan Calvijn.

Meer dan voorheen besteedden de katholieken aandacht aan de uitreiking van de eucharistie, omdat zij zo het belang van het door het protestantisme afgewezen dogma van de transsubstantiatie tot uitdrukking konden brengen. Alle kerken legden grote nadruk op de uniformering van het ritueel, op de liturgie. Missale Romanum, het geheel van officiële regels voor de viering van de mis, werd afgekondigd in 1570. De Anglicaanse kerk kwam in 1549 met het Book of Common Prayer. Bij de Lutheranen vormden Agenden, regelingen voor de orde van de sacramenten en van de kerkdienst.

Zo leidde de concurrentie tussen de verschillende kerken tot een streven de gelovigen door onderwijs en liturgie persoonlijk te betrekken bij de waarheden van de kerk. De belangrijkste elementen in deze ontwikkeling waren de vergeestelijking en individualisering van het geloof. Christendom was een godsdienst van de gemeenschap met:

  • riten van verwantschap: sacramenten van doop en huwelijk
  • de rite van verzoening: het sacrament van de boete
  • rite van de eenheid van de gemeenschap: het sacrament van de eucharistie

In Erasmus vertaling van het Nieuwe Testament werd de oproep van Johannes de Doper tot boetedoening, nu een oproep tot een andere manier van denken, tot bekering. Luther volgde die vertaling, er werd geen genoegdoening geëist, maar bekering.

Het zondebegrip was gewijzigd. Voor Protestanten kon de vergeving van de zonden in het geheel geen gevolg zijn van de handelingen van de mens. Volgens de Katholieken veranderde het sacrament van de boete van een ritueel dat de heropneming van de zondaar in de gemeenschap verzekerde, in een verplichting om het eigen geestelijke leven systematisch te onderzoeken. De biechtstoel werd ingevoerd, een persoonlijke zaak tussen priester en de individuele gelovige. De vergeving van de zonde was voortaan een zaak van God alleen.

Het Christendom werd individueler met een steeds grotere nadruk op kennis van de geloofswaarheden en op de geestelijke aard van het heil dat het christendom bracht. Gevolg was een offensief tot verspreiding van de kennis en voorschriften van het geloof, dat door alle confessies ondernomen werd.

Klachten over de kerk waren wijd verbreid. De kerk was rijk en er waren veel geestelijken. Geestelijken en gebouwen werden onderhouden vanuit de opbrengst van onroerend goed, vooral landbezit, dat door particuliere of overheden was geschonken, niet vanuit de opbrengst van de giften van de gelovigen. Tal van machtige mensen hadden belang bij de rijkdom van de kerk gekregen. De schok van de kerkscheuring maakte hier een einde aan. De meeste protestantse kerken zetten een geheel nieuwe kerkelijke organisatie op. De lutheranen voerden het instituut van de visitatie in, controle op de geestelijk toestand van alle gemeenten en de kwaliteit van de plaatselijke predikanten. De calvinisten kende de classis, die de predikanten controleerde.

De katholieken moesten een bestaande situatie veranderen. Het Concilie van Trente voerde aanzienlijke verbeteringen door

  • de organisatie, in het bijzonder het bisdom en de parochie, werd versterkt. Ook visitatieplicht.
  • Oprichting van een opleidingsinstituut: seminarie.
  • Versterking van de parochie.
  • Vergroting van de macht van de paus. Nieuwe orden werden gesticht, als belangrijkste de jezuïeten.

De Engelse staatskerk slaagde er in geringe mate in haar organisatie te verbeteren. De Reformatie was voornamelijk een breuk met Rome. De kroon nam de plaats van de paus over.

De verstatelijking van het christendom

De reorganisatie van de kerken kon alleen werkelijk succesvol zijn als ze door de overheden ondersteund werd. Aanvankelijk had Luther voor zichzelf en zijn beweging alleen het recht opgeëist vrij het evangelie te preken. Dit werkte echter ook bij andere religies, de overheid moest dit onderdrukken. Daarnaast moest zij ondersteunen bij benoeming van evangelische predikanten en eenheid in leer en ritueel.

Vanaf haar begin werd de Reformatie overal officieel ingevoerd door de overheid, wanneer die een ordening voor de kerken afkondigde. Ook de katholieke kerk wist van het belang van de steun van de overheid. Zij had eveneens de steun van de overheid nodig. Tevens wenste zij dat de overheid andere kerken onderdrukte. De (stedelijke) overheden gingen op dit verzoek in. Zij hadden vaak ingegrepen in de kerkelijke verhoudingen van hun stad, waarbij vermengingen en verstrengelingen van wereldlijk en kerkelijk gezag waren ontstaan. De staten hadden al veel langer geprobeerd de geestelijkheid binnen hun gebied aan zich te onderwerpen, noodzakelijk want, godsdienstige verdeeldheid leidde tot onrust en geregeld tot burgeroorlog.

Overal probeerden staatslieden de door hen erkende kerk te versterken. Vrijwel nergens waren ze sterk genoeg om tolerantie af te dwingen en de daaruit volgende burgerlijke verdeeldheid de baas te blijven. Hun zwakte betekende dat zij afwijkende godsdiensten moesten onderdrukken, de opbouw van een verbeterde organisatie dienden te ondersteunen, en behulpzaam moesten zijn bij het streven van alle kerken hun geloof op te leggen aan de gehele bevolking. De niet-uitverkoren kerken, die omwille van deze uniformering bestreden werden, reageerden met het ontwikkelen van theorieën die ongehoorzaamheid en eventueel opstand tegen de overheid rechtvaardigden.

Niet altijd hoefde religieuze oppositie gepaard te gaan met een afwijzing van het gezag van de overheid. De 17e eeuwse calvinisten zochten steun bij de kroon voor bescherming tegen de agressie van hun katholieke landgenoten en werden overtuigde aanhangers van het absolutisme.

Streven van de overheid op de bevoorrechte kerk en deze aan zich te binden. Bij protestantse staten zat daaronder een streven naar het uitschakelen van de rol van de kerken binnen de standenorganisaties, en het onderdrukken van eventuele democratische of republikeinse kerkordeningen. Bij katholieke staten ging het om het inperken van de invloed van de paus.

Hugo de Groot rechtvaardigde de macht van de staat over de kerk, door een beroep op het natuurrecht. Thomas Hobbes en Spinoza volgden de Groot in een vrijwel absolute macht van de overheid over de kerk, die zich ook uitstrekte tot de leer. Zij hadden betrekkelijk weinig praktische invloed. Wel invloed hadden Pufendorf en Conring, zij ontwikkelden een politiek-kerkelijke leer die als territorialisme bekendstaat. Territorialisme maakte de band tussen het gezag van de landsheer en zijn lidmaatschap van de gevestigde kerk los. In een taaie strijd wisten alle overheden in de loop van de 17e en 18e eeuw hun gevestigde kerken aan zich te onderwerpen en slaagden zij er in hun politiek aan hen op te leggen en zich onafhankelijk te maken van hun wensen.

De ontwikkeling van de leer. Orthodoxie en polemiek

De vernieuwing op het gebied van de leer betrof niet zozeer de ontwikkeling van nieuwe leerstellingen, maar vooral de plaats die de christelijke leer in de theologie – de academische discipline waarin deze leer ontvouwd werd – in het leven van de kerken innamen. Aanval van de grote christelijke leerstukken, de Drie-eenheid en de Tweenaturenleer van Christus (de goddelijke en de menselijke natuur in één persoon), leidde tot grote woede en onderdrukking door alle grote confessies.

De Reformatie was niet van begin af aan een bovenal op de leer gerichte beweging. In alle lagen van de bevolking werd op Luthers hervormingsvoorstellen enthousiast gereageerd. De kern van Luthers boodschap luidde:

  • De mens bereikt niet zomaar het heil door te voldoen aan de voorschriften van het Christendom of de geboden van God na te leven of door de sacramenten van de kerk te ontvangen.
  • Het heil kan alleen bereikt worden in het geloof, door het vertrouwen dat God bereid is de arme zondaar te vergeven. Gelooft hij in een genadige God (niet een rechtvaardige God), dan wordt hij gered.

Het sloot aan bij het populaire antiklerikalisme, alles wat de geestelijkheid anders deed dan preken, kon als bedrog, hypocrisie, tirannie en uitbuiting van de leken worden beschouwd. Omgekeerd kon iedere leek in antwoord op het woord van God, zelf het heil bereiken. Luthers opvatting verbond het persoonlijke geloofsleven zeer nauw met kennis van geloofswaarheden, in de zin van een juiste voorstelling van God.

Het protestantisme vroeg niet alleen gehoorzaamheid aan ethische en rituele regels die God de mens had opgelegd, maar ook inzicht in wat en wie God was. Het verwerven van het heil was voortaan alleen mogelijk door het persoonlijke geloof. Dit betekende een andere rol voor de geestelijken, van priester (het vermogen de sacramenten te bedienen) werd hij predikant (verkondiger van Gods boodschap aan de gelovigen). Alle uitspraken over God, alle uitspraken over de kerk, alle uitspraken over wat de christen moest doen, konden alleen aan de Bijbel worden ontleend. Zo kon de geestelijkheid niets aan Gods woord toe- of afdoen.

Het religieus enthousiasme van de evangelische beweging moest gekanaliseerd worden in instellingen, zodra het de orde bedreigde. De autoriteit van de overheid werd bevestigd en die van de evangelische, predikende geestelijkheid hersteld. De behoefte van de overheden aan politieke bondgenootschappen leidde tot het opstellen van geloofsformuleringen, waarmee de verschillende kerken zich konden verenigen. Al deze factoren leidden tot het opstellen van uitgewerkte geloofsleren, die gesystematiseerd waren en zich op de bijbel beriepen.

Argumenten alleen waren niet meer voldoende om tot eenheid te komen. Men besloot tot wederzijdse begrenzing en het benadrukken van de verschillen en het verlangen deze zo scherp mogelijk te formuleren. In deze periode kwamen alle grote kerken tot een nauwkeurig geformuleerde omschrijving van hun leer.

Op het Concilie van Trente zette de katholieke zich scherp af tegen het protestantisme, meer dan een eigen lijn te volgen. De Lutheranen verenigden zich op basis van de Formula Concordiae (1577-1580) een scherpe afgrenzing ten opzichte van katholieken en Calvinisten. Binnen het protestantisme werd de dogmatiek het belangrijkste vak aan de universiteit en het belangrijkste element binnen de kerk. De geestelijke onderscheidt zich van de leek door het vermogen met het heilige om te gaan. Bij de katholieken is heilige de omgang met de sacramenten, bij de protestanten de omgang met de leer. De belangrijkste kwalificatie voor een predikant werd zijn opleiding aan een universiteit, waar hij die leer leerde beheersen. Bij het lutheranisme was de belangrijkste kwalificatie van het bekleden van hogere bestuurlijke functies het doctoraat in de theologie en de beheersing van de intellectuele discipline van de dogmatiek.

Het lutheranisme nam een groot deel van de vanouds vertrouwde liturgie en sacramenten over. Dit in tegenstelling tot de calvinisten. De katholieke kerk vroeg aan bisschoppen en pausen vooral bestuurlijke kwalificaties en dus een opleiding in het kerkrecht.

In de orthodoxe beschouwing was geloof vooral het instemmen met een geformaliseerd gedachtesysteem. De (Leidse) hoogleraren theologie zagen hun taak de – dankzij de reformatie op nieuw ontdekte en nu helder geformuleerde – waarheid zuiver te bewaren, verder te ontvouwen en te verdedigen. De grootste bedreiging van het christendom zag men in intellectuele dwaling, het ambt van hoogleraar theologie belangrijk. Een gevolg van deze concentratie op de leer was dat theologische twisten binnen het protestantisme endemisch (hardnekkig) waren. De belangrijkste conflict dempende werking ging uit van de overheid. In de katholieke kerk waren er geen twisten op de schaal zoals bij de protestanten. De theologie nam binnen de katholieke kerk een andere plaats in dan bij de protestanten. Katholieken zien de kerk als instituut, protestanten zien de leer als het centrum van het heil

Het rooms-katholicisme had zich geherdefinieerd als de gemeenschap van de zichtbare kerk, die het heil verschafte. Dus was deze kerk in principe universeel en moest over de hele wereld verspreid worden.

De dialectiek van het confessionele tijdperk

De dialectiek van de disciplinering: het ontstaan van lekenelites

Piëta – Michelangelo

Katholieken en protestanten trachtten hun vorm van het christendom tot een levende werkelijkheid voor alle gelovigen te maken.
Van iedere gelovige werd niet alleen elementaire kennis van de leer van de kerk gevraagd, maar ook een levend, persoonlijk geloof.

Stichtelijke literatuur, zoals Imitatio christi van Thomas à Kempis, was populair. Ook werken met als doel het oproepen tot boete, zelfonderzoek en een leven vanuit het geloof, dat werken van liefde moest doen. Francois de Sales stelde een eenvoudig, systematische devotie voor en had een groot vertrouwen in de menselijke vermogens daaraan te voldoen. De vroomheidsliteratuur was naar haar aard slechts in geringe mate confessioneel of dogmatisch gebonden. Het fraaiste voorbeeld was Het gouden kleinood van Emanuel Sonthom uit 1582. Het boek werd gekenmerkt door een jezuïtische, uit laatmiddeleeuwse tradities voortgekomen monastieke vroomheid, die de lezer door methodische meditaties over het oordeel na de dood tot een eenmalige en definitieve beslissing over zijn leven wilde brengen.

In alle kerken stootte het streven om aan de hele bevolking een vroomheid en ethische praktijk op te leggen die in de middeleeuwen alleen voor de geestelijke elite gold, ook op weerstanden. Het grootste conflict binnen de katholieke kerk was de discussie over het Jansenisme, ontstaan als een dogmatische twist binnen het katholicisme over de interpretatie van Augustinus. Ook waren er andere geschillen, de belangrijkste betrof de pastorale praktijk. Een strenge pastorale praktijk betekent dat de priester de gelovige pas absolutie mag geven als deze blijk geeft van werkelijk berouw. De gelovige zou niet te vaak deel moeten nemen aan de mis, een strikte, christelijke levenswandel is belangrijker.

De Arminianen in Engeland streefden wèl naar een strikte disciplinering van de geestelijkheid, maar lieten traditionele volksgebruiken intact en trokken eerdere wetten in, die waren bedoeld om haar te bestrijden. In de calvinistische kerk van de Republiek betrof een groot deel het conflict tussen coccejanen en voetianen de strijd om de christelijke ethiek, mag een christen dansen of een theater bezoeken?

Het alternatief voor een collectieve disciplinering was te proberen afzonderlijke gelovigen in hun geloof te sterken, en te hopen dat zij op den duur de maatschappij zouden doordringen. Gevolg hiervan was het ontstaan van een lekenelite, die losstond van de gewone gelovigen. De jezuïeten, de grote tegenstanders van de jansenisten, overbrugden met hun nieuwe zielzorg de oude kloof tussen leken en geestelijken, maar zorgden weer voor een nieuwe tegenstelling tussen interne groepen. De grootste gevolgen had het streven de ware vromen te verzamelen echter binnen het protestantisme. Sinds de Reformatie had naast de grote gevestigde kerken een stroming bestaan die gekenmerkt werd door een allesoverheersende nadruk op een spirituele vroomheid. Uit afschuw over de geloofsverdeeldheid beschouwde deze alle gevestigde kerken als verwerpelijk of onbelangrijk, en zocht ze het heil in het geestelijk leven van het individu, zonder bemiddeling van kerk of leer. Op deze manier drong een separatistische traditie de gevestigde protestantse kerken binnen., met zelfs zogenaamde conventikels, kleine groepen van leken zonder begeleiding van geestelijken.

De dialectiek van het verbond met de staat

Een constant gegeven gedurende de vroegmoderne tijd was de toename van de macht van de overheden over de kerken. De macht van de katholieke mogendheden over de pauselijke stoel was in de 18e eeuw zo groot geworden, dat zij in 1773 Paus Clemens XIV konden dwingen tot opheffing van de jezuïetenorde. De overheden konden net als ten tijde van de Reformatie profiteren van de steun van hervormingsgezinde groepen binnen de kerken zelf, die inzagen dat alleen de overheid sterk genoeg was om de noodzakelijke verbeteringen door te voeren. Het verzet tegen deze overheidsbemoeienis leidde nergens tot principiële twijfel aan de zin of het belang van het verband tussen kerk en overheid dat het wezen van het confessionalisme uitmaakte. Men wilde doorgaans slechts dat de overheid haar taak op de, in de ogen van de kerk, juiste manier zou uitoefenen.

De meest effectieve reactie op de absolutistische overheidspolitiek in kerkelijke zaken is te vinden bij die groepen die stilzwijgend alle hoop op een positieve overheidspolitiek opgaven en religieuze vormen wisten te ontwikkelen die voor hun succes onafhankelijk waren van overheidsingrijpen. De diepste wortels van het jansenistische verzet tegen de overheid lagen echter niet in de opvatting dat het de taak van de overheid was op de belangen van de rooms-katholieke te letten, maar in een pessimistische visie op het maatschappelijk leven en de mens. Men dacht wel dat de vorst boven de mensheid stond, maar dat was slechts een gevolg van propaganda en terreur. In deze wereld moest de christen afzien van publiek handelen, zich beperken tot een strikte persoonlijke moraal en gehoorzamen aan de aardse machten zonder deze te respecteren, in het volle bewustzijn dat van zijn gehoorzaamheid misbruik gemaakt zou worden. Het jansenisme – in de ogen van Lodewijk XIV republikeinen – vormde een beweging die in de loop van de 18e eeuw grote groepen Fransen van de kerkelijke en staatkundige orde vervreemdde en hun loyaliteit daaraan ondergroef.

In Engeland was de Reformatie ingevoerd door de kroon die zich, zonder aanvankelijk in leer of ritueel veranderingen aan te brengen, in de plaats van de paus had gesteld. Puriteinen ijverden voor een strenge levenstucht, voor goede predikanten, voor een sobere kerkdienst, en voor actieve rol van de leken. Onderdeel van de absolutistische politiek van koning Karel I was het versterken van de hiërarchische en autoritaire aspecten van de Engelse staatskerk. Aartsbisschop Land streefde met kracht een uniformiteit in liturgie en leer na, die juist de puriteinen van de kerk vervreemdde; velen weken uit naar Amerika. Na het herstel van de Engelse kroon en de kerk werden de puriteinen – na een aanvankelijke onderdrukking – erkende religieuze minderheden, die buiten de staatskerk stonden. Bij bewegingen, die zich op afstand hielden van de politiek en evenmin de kerk trachtten te verbeteren, maar in een door kerk en staat niet bereikt gebied opereerden, lag de toekomst.

In Duitsland waren klachten over de absolutistische overheden bij de kerken en de orthodoxe geestelijkheid wijd verspreid. Het Lutherse piëtisme was het eerste effectieve antwoord op de absolutistische godsdienstpolitiek van de Duitse overheden. De houding van het piëtisme tegenover de absolutistische overheid vertoonde grote regionale verschillen. In Brandenburg-Pruisen werd het piëtisme door de overheid gestimuleerd en gebruikt om de macht van de Lutherse orthodoxie te breken. Volgens Philipp Jakob Spener zou de regeneratie van de kerk bereikt worden door de aaneensluiting van de ware vromen in kleine groepjes die elkaar bemoedigden. De vromen dienden in zijn ogen binnen de kerk te blijven, maar onvermijdelijk werd tijdens de kerkdiensten de persoonlijke beleving belangrijker dan de leer.

De dialectiek van de leer: de Verlichting

Portrait of Monsieur de Lavoisier and his Wife, chemist Marie-Anne Pierrette Paulze – Jacques Louis David (1788)

In de intellectuele strijd hadden de protestanten aanvankelijk de overhand. Zij maakten gebruik van nieuwe wetenschappelijke technieken die het humanisme had ontwikkeld om teksten te onderzoeken. Het was een moderne manier om Rome te bestrijden. De katholieken ontbrak het enige tijd aan inzicht in wat zij precies wensten te verdedigen en waar de zwakke punten van de nieuwe kerken te vinden waren. Het concilie van Trente voorzag in de eerste leemte, de grote protestantse belijdenissen van het derde kwart van de 16e eeuw en enige ervaring met de interconfessionele polemiek in de tweede. Vanaf het einde van de 16e eeuw waren de polemische krachten van protestanten en katholieken aan elkaar gewaagd. David Hume karakteriseerde 150 jaar strijd als volgt: in de aanval waren alle confessies oppermachtig en onweerstaanbaar. In de verdediging gingen zij allen ten onder.

De katholieken trachtten de oudheid en oorspronkelijkheid van de door een belangrijke deel der protestanten verworpen instellingen, zoals het pausdom, het bisschopsambt, de monnikenorden en het celibaat, aan te tonen, evenals de overeenstemming tussen de leer van de protestanten en door de vroege kerk verworpen ketterijen. De protestanten hadden, als vernieuwers en afwijzers van de traditie, grote behoefte aan het ontwikkelen van een nieuwe kerkgeschiedenis. Met de Maagdenburgse centuriën, de eerste algemene kerkgeschiedenis sinds de vroege kerk, werd een tweeledig doel nagestreefd.

  1. het aantonen van geleidelijke corruptie van het christendom
  2. het aantonen dat echte christenen, die van de waarheid getuigden, nooit ontbroken hadden.

De italiaanse kardinaal Caesar Baronius kam in 1588 met de katholieke kerkgeschiedenis, Annales ecclesiatica, als tegenhanger van de Maagdenburger centuriën. De protestanten hadden de kerkgeschiedenis niet echt nodig. Hun belangrijkste argumenten ontleenden zij aan de Bijbel, vooral aan het Nieuwe Testament. Aanvankelijk hadden de protestanten geprofiteerd van de nieuwe humanistische Bijbeluitleg, die teruggreep op de originele Hebreeuwse en Griekse teksten.

De protestanten profiteerden van de nieuwe humanistische filologie

  • teksten die traditioneel gebruikt waren om de christelijke leer te bewijzen hadden een andere inhoud. De socinianen slaagden er in hoge mate in aan te tonen dat het dogma van de Drie-eenheid in het Nieuwe Testament niet voorkwam.
  • toepassing van de humanistische Bijbeluitleg toonde aan dat ook de tekst van de Heilige Schrift niet betrouwbaar was.

De onzekerheid van de Bijbeltekst werd één van de vaste bestanddelen van de argumentatie die de katholieken tegen het protestantisme ontwikkelde. De katholieken gebruikten dergelijke redeneringen om te betogen dat ook de protestanten behoefte hadden aan een onfeilbare, levende autoriteit die de waarheid kon verkondigen. Antwoord van de protestanten was het versterken van de rol van de rede. Een protestant bewees tot zijn genoegen dat een katholiek nooit kon weten of de zittende paus wel de echte was, dat kon immers alleen de echte paus weten.

Deze ontwikkeling sloot aan bij belangrijke tendensen binnen de protestantse orthodoxe dogmatiek zelf, die ook steeds meer gewicht schonk aan rationele argumenten. Hiermee legden zij de nadruk op het individuele inzicht en devalueerde daarmee het belang van de leer en de organisatie van de bijzondere kerk waartoe men behoorde. De verlegging van het zwaartepunt van het christelijk geloof naar de rationele instemming door het individu stemde overeen met de langetermijnontwikkeling van het opleggen van het christendom aan de gehele bevolking, dat de katholieke en protestantse kerken in navolging van het laatmiddeleeuwse hervormingsstreven hadden geprobeerd te bevorderen. In de eerste fase door de gelovigen te laten instemmen met de waarheden van de staatskerk om te proberen hun gedrag te veranderen.

Zowel katholieke als protestantse hervormers zagen in de Verlichting een verdere zuivering van het christendom, die de ware, beschaafde en morele kern vrij zou leggen, en zo eindelijk het al eeuwenoude hervormingsstreven zou voltooien. Nog steeds moest er hervormd worden, maar de hervorming diende niet meer te resulteren in ware gelovigen, maar in goede christenen en nuttige burgers. Voor de katholieke Verlichting was de contemplatieve monnikendom evenmin positief, omdat het niet bijdroeg aan de beschaving van het volk, de monniken waren niet nuttig.

De grootste profiteur van deze ontwikkeling was de staat. Katholieke en protestantse verlichte hervormers zochten voor hun streven steun bij de wereldlijke overheid, de enige macht die in staat was de in hun ogen noodzakelijke hervormingen op het gebied van onderwijs en kerkelijke organisatie door te voeren. Alleen de staat kon tolerantie afdwingen en de kerken beteugelen.

 

Zelftoets

Vraag 1

Waarom zou een titel als ‘Reformatie en Contrareformatie’ boven hoofdstuk 11 van het handboek hebben misstaan?

antwoord

De auteur benadrukt zowel de inhoudelijke overeenkomsten tussen de protestantse en katholieke hervormingsbewegingen als hun synchroniciteit. In die visie valt de antithese Reformatie-Contrareformatie moeilijk in te passen. Die tegenstelling is volgens Van Rooden misleidend omdat zij ten onrechte suggereert dat de katholieke hervormingsbeweging niet meer dan een reactionair tegenoffensief was. De accentuering van het verdedigende, antiprotestantse element verdoezelt dat het ook een moderniseringsbeweging betrof waarvan het programma in veel opzichten vergelijkbaar was met dat van de protestantse hervorming. Veel vernieuwingen die tijdens de Contrareformatie werden doorgevoerd, vonden hun oorsprong in hervormingsidealen die al leefden voordat Luther met zijn 95 stellingen voor de dag kwam. Een andere reden om de alternatieve titel af te wijzen, is dat de in hoofdstuk 11 beschreven ontwikkelingen gelden voor het hele ancien régime en dus slechts ten dele samenvallen met de tijd van de Reformatie en Contrareformatie (ruwweg de zestiende eeuw en eerste helft van de zeventiende eeuw).

 

Vraag 2

De meeste protestantse richtingen riepen een totaal nieuwe kerkelijke organisatie in het leven. Daarop is één belangrijke uitzondering. Welke confessie behield een middeleeuwse organisatiestructuur en wat was daarvan het gevolg?

antwoord

De anglicaanse kerk. Het organisatorisch conservatisme heeft ertoe bijgedragen dat de Anglicana degradeerde tot een minderheidskerk.
Vraag 3

In hoofdstuk 11 worden de verschillen tussen de ontwikkelingen bij katholieken en protestanten eerder gerelativeerd dan geaccentueerd. Niettemin gaat Van Rooden op één fundamenteel verschil zeer uitvoerig in. Welk verschil is dat?

antwoord

Tijdens het concilie van Trente (1545-1563) fixeerde de katholieke kerk haar standpunt over alle belangrijke leerstellige kwesties in scherp geformuleerde dogma’s, die daarna niet meer ter discussie werden gesteld. De theologie die aan de katholieke universiteiten werd bedreven, had een conserverende functie. Het prestige van de theologen was relatief klein. Bij de selectie van kerkelijke topfunctionarissen gold een kerkrechtelijke opleiding als een betere kwalificatie dan een titel in de theologie.

Bij de protestanten stonden de theologen in veel hoger aanzien. Het hele geloofsleven draaide daar om de leer, die continu geëxpliciteerd en verdedigd moest worden. Het universitaire debat over dogma’s was structureel en ontketende de ene hoogoplopende polemiek na de andere. In dergelijke twisten heeft de overheid nogal eens moeten ingrijpen om het altijd aanwezige gevaar van een kerkscheuring te bezweren.

 

Vraag 4

Het zeventiende- en achttiende-eeuwse protestantisme kende een aantal stromingen die bijzondere waarde hechtten aan de vroomheid van het individu. Sommige daarvan scheidden zich af, andere bleven binnen de moederkerk.
Geef van beide categorieën een voorbeeld.

antwoord

Nadere Reformatie (niet separatistisch), piëtisme (niet separatistische en separatistische varianten), puriteinen (separatistisch).

Vraag 5

Lees de hiernavolgende artikelen uit het reglement dat de kerkenraad van de hervormde gemeente te Monnickendam in januari 1600 vaststelde.

Fragmenten uit de kerkenraadsorde van Monnickendam, 1600

  1. Alsoe niet alleen in Godes woort ende de eerste apostolische kercke bevonden wort, maer oock de algemeyne kerckenordeningen bij den synoden beslooten medebrengen, dat in alle welgestelde kercken tot de regieringe ende stichtinge derselver neffens de dienaers des woorts oock noodich sijn ouderlingen ende diaconen, soe sullen ook deselve bedieningen hier in der gemeente onderhouden werden.
  2. Tot welcken eynde seeckere mannen sullen vercooren weesen, als namentlijck acht ouderlingen ende acht diaconen, om deselve ampten te bedienen haer leeven langh.
  3. De verkiesinge derselver, dies noot sijnde, sal absolutelijcken bestaen bij dengenen, die alreede vercooren sijn, gelijck sulxs van der gantscher gemeente is overgegeeven den 8. martii anno 1587.
  4. Wt deesen sal het halve getal altijt regieren, namentlijck vier ouderlingen ende vier diaconen, ende dat met veranderinge jaer om jaer, welcke veranderinge sal ghescieden met den aenvanck des nieuwen jaers.
  5. Alle weecken nae de predicatie’s naemiddaechs sal men onse bijeencompste
  6. houden, om van alle kerckelijkcke dingen te handelen die daer dienen tot stichtinge der gemeente. (…)
  7. In deese bijeencompste sullen verschijnen neffens den dienaer des woorts oordinairlijcken de ouderlingen ende diaconen, die in de gebuerte der bedieninge sijn, om bequamelijck oock van den noot der armen te spreecken.

(…)

  1. Eenyder sal hem in alle resolutiën onder de meeste stemmen buygen.
  2. Niemant en sal van den kerckenraet uyt sijn eygen authoriteyt moghen naelaten offte breecken dat met gemeene advys des kerckenraets is beslooten, tensij dat het eerst weederom in den kerckenraet voorgestelt sij, ende met gemeene advys weeder ontslooten ende verandert werde.
  3. Soe yemant door gemeene advys des kerckenraets yet opgelecht wert belangende sijn ampt om uyt te voeren, al ware het schoon dat het teegen sijn goetduncken streede, en sal hij nochtans over het besluyt der broederen niet mogen heerschen, maer hetselve nacomende, sal hij sijn weedervaren in de naestvolgende bijeencompste inbrengen.
  4. Wat in deese vergaderinghe verhandelt wert sal een yder gehouden weesen secreet bij hem te houden, ende niemamt door eenich middel te openbaren, opdat de regieringe des kerckenraets met authoriteyt mach sijn, ende so yemant ter contrarie te handelen bevonden wert, sal der censure weerdich sijn, ende nae gelegentheyt der saken dapperlijck gestrafft werden.

(…)

  1. De ouderlingen die in den jare ende gebuerte haerder bedieninghe sijn, sullen op de classicale vergaderinge met den dienaer verschijnen, ende dat bij gebuerten, waerin een yder sijn buerte neerstich sal waerneemen ende vervullen.
  2. [toegevoegd in 1607] De ouderlingen diewelcke in de bedieningghe sijn, sullen oock moeten elck in haer jaer eenen tot den synodum uytmaken indien ’t van noode sal sijn, ende een ouderling deeser gemeente van den classe daerheenen gestemt werde.

(…)

Bron: A.Th. van Deursen, Bavianen en slijkgeuzen (Assen 1974), pp. 375-377.

Biedt deze kerkenraadsorde ruimte voor een democratische participatie door alle gemeenteleden?

antwoord

Aan de verkiezing van ouderlingen en diakenen komt de gemeente niet te pas: deze heeft in maart 1587 haar bevoegdheden blijvend gedelegeerd aan de kerkenraad. De benoeming van nieuwe kerkenraadsleden (voor het leven) geschiedt bij coöptatie door het zittende bestuur. Wat in de vergaderingen aan de orde komt, moet binnenskamers blijven ‘opdat de regieringe des kerckenraets met authoriteyt mach sijn’. Naar buiten toe treedt de kerkenraad op als een gesloten front. Het uitdragen van minderheidsstandpunten wordt uitdrukkelijk verboden.

Wat is de positie van de leek in deze kerkelijke organisatiestructuur?

antwoord

Het bestuur van de gemeente is een zaak van de hele kerkenraad. De predikant heeft daarin uit hoofde van zijn functie zitting, maar hij is niet meer dan een primus inter pares. De kerkenraad houdt zich niet alleen bezig met materiële aangelegenheden. Hij is ook belast met het toezicht op de levenswandel van de gemeenteleden en treedt zo nodig corrigerend op (censura morum, art. 18). Ook op hoger niveau zijn de leken vertegenwoordigd. Classis- en synodale vergaderingen zijn geen onderonsjes van professionele theologen. De kerkenraad vaardigt daarheen behalve de predikant ook een ouderling af.

Peter van Rooden

Veelvormige dynamiek – H00

Europa, 1450-1800. Traditie en vernieuwing, eenheid en verscheidenheid Dertien bijdragen van veertien auteurs, schetsend een aantal belangrijke en karakteristieke ontwikkelingen in (en rond) Europa in de periode van circa 1450 tot circa 1800. Bestaat er een...

Veelvormige dynamiek – H01

Bevolking, economie en sociale verhoudingen - divergente ontwikkelingen in Europa Inleiding Dit hoofdstuk gaat over de ingrijpende verschuivingen die in Europa na 1500 plaats vonden op het gebied van bevolking, economie en sociale verhoudingen. Het blijkt dat...

Veelvormige dynamiek – H04

De staat in opmars (vijftiende en zeventiende eeuw) Introductie De auteur, Maarten Prak, behandelt het moderniseringsproces in de diverse Europese staten en de belangrijke rol daarbij van de diverse betrokken vorsten, de standen en andere maatschappelijke...

Veelvormige dynamiek – H05

Politiek denken in de vroegmoderne tijd Inleiding Dit hoofdstuk is gewijd aan het politiek denken of de politieke theorie in de vroegmoderne tijd. Het is van belang om u te realiseren dat belangrijke essentiële elementen van de politieke theorie en het...

Veelvormige dynamiek – H08

Politieke theorie; 1650-1800 In de inleiding van dit hoofdstuk wordt het belangrijke onderscheid tussen een ‘ascending’ en ‘descending theory of government’ aan de orde gesteld en toegelicht. Dit onderscheid komt later in dit hoofdstuk, aan de hand van concrete...

Veelvormige dynamiek – H09

De Engelse, Amerikaanse, Franse en Nederlandse revolutie Introductie De titel van hoofdstuk 9 vermeldt al dat het hier om een studie van vier revoluties in vergelijkend perspectief gaat. Een dergelijk uitgangspunt biedt veel mogelijkheden maar kent ook...

Veelvormige dynamiek – H11

Kerk en religie in het confessionele tijdperk Introductie Centraal thema is hier hoe de oude rooms-katholieke kerk en de diverse nieuwe protestantse kerken (de nadruk ligt in dit geval op de lutherse, calvinistische en anglicaanse kerk) na de scheuring in het...

Veelvormige dynamiek – H12

De wetenschappelijke revolutie Introductie In dit hoofdstuk handelt het opnieuw om traditie en vernieuwing, maar ook om de overgang van geocentrisme naar , de weg van astronomie naar fysica, de betekenis...

Veelvormige dynamiek – H13

Rede en openbaring in de Verlichting Het laatste hoofdstuk van het handboek gaat over de Verlichting, die ook al in eerdere hoofdstukken ter sprake is gekomen. De auteur van dit hoofdstuk, Jan Wim Buisman, behandelt de Verlichting aan de hand van een aantal...
Print Friendly, PDF & Email
  1. De term ‘confessionalisme’ is ontwikkeld door Ernst Walter Zeeden. Vergelijk zijn Die Entstehung der Konfessionen. Grundlagen und Formen der Konfessionsbildung im Zeitalter der Glaubenskämpfe (München/Wenen 1965); idem, Konfessionsbildung. Studien zur Reformation, Gegenreformation und katholischen Reform (Stuttgart 1985).
  2. H.O. Evennett, The spirit of the Counter-Reformation (Cambridge 1968); W. Reinhard, ‘Gegenreformation als Modernisierung? Prolegomena zu einer Theorie des konfessionellen Zeitalters’, in: Archiv für Reformationsgeschichte, 68 (1977), pp. 226-253.
  3. P.T. van Rooden, ‘De scheuring van de christenheid en het confessionele tijdperk’, in: L.H.M. Wessels en E.P.M. Stoffers (red.), Het ancien régime 2. Europa in de vroeg-moderne tijd, 1450-1800, dl. 3 (Heerlen 1997; 2e druk), pp. 124-155, hier pp. 126-130.
  4. R. Wohlfeil, Einführung in die Geschichte der deutschen Reformation, München, 1982. Een helder en kort overzicht van de belangrijkste historiografische problemen biedt R.W. Scribner, The German Reformation (Londen 1986).
  5. A. Elkan, ‘Entstehung und Entwicklung des Begriffes Gegenreformation’, in: Historische Zeitschrift, 112 (1914), pp. 473-493. Een bundeling van belangrijke artikelen over de Contrareformatie biedt E.W. Zeeden (ed.), Gegenreformation (Darmstadt 1973).
  6. W. Maurenbrecher, Geschichte der katholischen Reformation I (Nördlingen 1880).
  7. Hubert Jedin, Katholische Reformation oder Gegenreformation? Ein Versuch zur Klärung der Begriffe nebst eine Jubiläumsbetrachtung über das Trienter Konzil (Luzern 1946).
  8. Jean Delumeau, Le Catholicisme entre Luther et Voltaire (Parijs 1971; derde druk 1985).
  9. John Bossy, Christianity in the West 1400-1700 (Oxford/New York 1985) biedt een aannemelijke en briljante reconstructie van het traditionele geloof, dat vooral berustte op, en zich uitdrukte in, rituelen.