Select Page

Veelvormige dynamiek - H1

Europa in het ancien régime 1450-1800

Bevolking, economie en sociale verhoudingen – divergente ontwikkelingen in Europa

Inleiding

Dit hoofdstuk gaat over de ingrijpende verschuivingen die in Europa na 1500 plaats vonden op het gebied van bevolking, economie en sociale verhoudingen. Het blijkt dat niet overal in Europa de ontwikkelingen gelijk op gaan en even sterk veranderen. In paragrafen over bevolking, landbouw, nijverheid en handel worden deze ontwikkelingen geschetst. Ook de sociale verhoudingen komen aan de orde. In paragraaf 7 worden verklaringen van de zogenaamde ‘tweede feodaliteit’ besproken. De laatste paragraaf geeft een concluderende samenvatting.

De demografische, economische en sociale ontwikkelingen staan centraal, afzonderlijk en in hun onderlinge wisselwerking. De auteur, Maarten Duijvendak, neemt daarbij in beginsel héél Europa in zijn tour d’horizon op. Uitvoeriger dan in de andere hoofdstukken komt in deze bijdrage dan ook de toestand ten oosten van de rivier de Elbe aan de orde. De auteur wijst erop dat bij dit alles sprake is van divergerende ontwikkelingen.

Introductie

Onder invloed van allerlei factoren en omstandigheden kristalliseerden aan weerszijden van de Elbe – die in dit geval als globale grens kan worden genomen – reeds vanaf de late middeleeuwen, en sedert de zestiende eeuw in versterkte mate, een tweetal op een aantal hoofdpunten belangrijk uiteenlopende maatschappijtypen zich nader uit. Het westelijk gedeelte van Europa en met name de kuststreken werden allengs opgenomen in een systeem van intercontinentale handel, hoewel regionaal enorme verschillen bleven bestaan. Steden groeiden flink (urbanisatie) en er vond een relatief grote export van nijverheidsproducten en bewerkte grondstoffen plaats. Die nijverheid, een vorm van proto-industrialisatie, trof men overigens niet alleen in de stedelijke centra aan. Ook op het platteland, meestal wel in de directe omgeving van steden, kwam deze van de grond (putting out-systeem). Het feodale systeem boette in het westen krachtig aan betekenis in. Vele boeren werden zelf grondbezitters of (land)arbeiders.

De veranderingen in Oost-Europa laten in deze periode daarentegen een ander beeld zien. Had het verbond van de Hanze, gesitueerd op het continent rond de Oost- en de Noordzee en de daarop uitwaterende rivieren, in de handelsbewegingen over water én land gedurende de late middeleeuwen nog een grote rol gespeeld, het verschuiven van het zwaartepunt van handel en commercie naar de Atlantische kust reduceerde bijvoorbeeld ook de bijdrage van het Baltische gebied van een volwaardig en zelfstandig opererende partner tot een meer ondergeschikte positie: de aanvoer en afname van producten ten behoeve van de in het westen functionerende stapelmarkten waarbij ook het transport hoofdzakelijk door West-Europeanen werd verzorgd.

Een voor de export werkende nijverheid kwam in het oostelijk deel van Europa nauwelijks of op heel kleine schaal van de grond, al waren er hier en daar (zoals in Silezië en Bohemen) uitzonderingen. De economische structuur raakte in toenemende mate ingesteld op de uitvoer van grondstoffen tegenover een relatief bescheiden import van luxegoederen. De laatste kwamen vooral een beperkte maatschappelijke bovenlaag, met name de aristocratie, ten goede. Tegenover een groeiende juridische, sociale en economische vrijheid in het westen, werd de structuur van de samenleving in oostelijk Europa gekenmerkt door toename van de onvrijheid voor grote groepen van de bevolking (lijfeigenschap): de zogenoemde ‘tweede feodaliteit’.

Duijvendak constateert, de bovengeschetste veranderingen samenvattend, dat ten tijde van het ancien régime ‘een regionale specialisatie op Europese schaal gestalte’ kreeg. Uiteraard liggen de gesignaleerde tegenstellingen en divergenties niet zwart-wit en, geografisch gesproken, niet enkel oost-west. Zo wordt erop gewezen dat met name Centraal-Europa een soort overgangszone vormde, met een aantal eigen, karakteristieke ontwikkelingen en aspecten. In zekere zin kan dat ook van het Middellandse Zeegebied worden gezegd.

Leerdoelen

inzicht in

  • de hoofdlijnen in de historiografie over de tegenstelling tussen Oost- en West-Europa
  • het verloop van de belangrijkste demografische en economische ontwikkelingen tussen 1500 en 1800, waaronder de urbanisatie en proto-industrialisatie
  • het ontstaan van de ‘tweede feodaliteit’ en de toename van de lijfeigenschap in Oost-Europa
  • de verscherping van de verschillen tussen Oost- en West-Europa op het gebied van landbouw, handel en nijverheid.

Historiografische kanttekeningen

De opmerkelijke verschillen in de economische en sociale ontwikkeling tussen Oost- en West-Europa vragen om een verklaring vanuit comparatief perspectief. Enige bouwstenen zijn hiervoor voorhanden. Maar de problemen die gepaard gaan met zo’n vergelijking, blijven groot. Bestaan er voor West-Europa tussen 1500 en 1800 redelijk betrouwbare schattingen van bevolkingsaantallen en bevolkingsconcentraties en is de ontwikkeling van de economische en sociale verhoudingen in hoofdlijnen bekend, voor vele delen van Oost-Europa blijft het bij gissingen naar de bevolkingsontwikkeling en bestaan slechts indicaties ten aanzien van de economische en sociale ontwikkeling.

Vóór 1950 stond in de geschiedschrijving betreffende de relaties tussen Oost- en West-Europa de Baltische graanhandel centraal. In de twee decennia daaropvolgend was de aandacht breder. Onder invloed van de Franse Annales-school werden de structures et conjunctures, het samenspel van verschillende economische en sociale ontwikkelingen op lange en middellange termijn onderzocht. Dit heeft vooral meer kennis opgeleverd over ontwikkelingen op lokaal en regionaal niveau. Immers, de noodzakelijke gegevens voor een analyse van de relaties tussen bevolking en bestaansmiddelen zijn vrijwel uitsluitend op deze niveaus te verwerven en te verwerken. Tevens komt er de laatste decennia uit Oost-Europa een groeiend aantal studies met nieuwe resultaten, terwijl inmiddels bovendien een aantal synthesen verschenen is waarin de Europese ontwikkelingen meer in vergelijkend en mondiaal perspectief worden geplaatst.1 In de jaren 1980 werd in het tijdschrift Past & Present een stevig debat gevoerd over verklaringen voor de overgang van de laatmiddeleeuwse ‘feodale’ maatschappij naar het vroegkapitalistische Europa van de achttiende eeuw, naar de initiator het Brenner debate genaamd.2

In deze discussie werd relatief veel aandacht besteed aan de uiteenlopende ontwikkelingen van sociale verhoudingen in Oost- en West-Europa. R. Brenner bekritiseerde historici die bij de verklaring van deze overgang een, zijns inziens, doorslaggevende rol toekenden aan demografische factoren en te weinig gewicht hechtten aan de sociale verhoudingen. Voor Brenner – als marxist – lag de sleutel tot het begrip van de afwijkende ontwikkelingen in Frankrijk, Engeland, westelijk en oostelijk Duitsland juist in de relaties tussen verschillende klassen.3 In het hierop volgende debat werd Brenner op empirische en theoretische gronden bestreden en beantwoordde hij weer de aanvallen van zijn critici, waardoor recente en oudere inzichten ten aanzien van de gescheiden ontwikkelingen in Oost- en West-Europa grondig op hun waarde werden geschat.

De laatste decennia is dus enerzijds een groot aantal historische studies verschenen met een theoretische of macro-economische inslag waarin relaties worden geschetst tussen de ontwikkeling en spreiding van de bevolking, de agrarische productiviteit, het prijsverloop en de sociale verhoudingen. Anderzijds bestaat er een overmaat aan regionale studies waarin deze relaties, of aspecten daarvan, in detail worden onderzocht. Met gebruikmaking van een aantal van deze studies worden in dit hoofdstuk de belangrijkste verklaringen voor de verschillen in economische en sociale verhoudingen in Oost- en West-Europa besproken.

Samenvatting

Inleiding

Europa in de middeleeuwen is een overwegend agrarische samenleving met beperkte handelsstromen naar en tussen geürbaniseerde gebieden. Volgens Wallerstein vormt West-Europa een mondiaal economisch systeem met intercontinentale handel, dat door hem uitdagend de “Europese wereldeconomie” (European World Economy) is genoemd. In de 18e eeuw start het industrialisatieproces, de industriële revolutie er werden staten gevormd met een min of meer krachtig bestuur en de juridische en economische vrijheid van de bevolking nam toe.

Eric Jones noemde het in zijn studie van 1981 The European Miracle

The European miracle theory purports that because the European family was nuclear, women married late, and had few children, Europe’s population was better controlled than the rest of the world, which “multiplied insensately” according to Jones. This meant that Europe was not vulnerable to Malthusian Crises and therefore able to form a progressive, capitalist society.

wikipedia

In Europa was een verschil (divergentie) op het terrein van bevolking, landbouw, nijverheid en handel zichtbaar tussen Oost- en West Europa, met als scheidslijn de Elbe (Lübeck, Praag, Wenen, Triëst). In het Westen was er sprake van groei van de steden, export van nijverheidsproducten en werden boeren grondbezitters of landloze arbeiders. Het Oosten was veel minder betrokken bij de intercontinentale handel, er was geen sprake van voortgaande bevolkingsgroei en verstedelijking, gronstoffen werden juist geëxporteerd en voor grote groepen van de bevolking gold onvrijheid, de zogenaamde tweede feodaliteit.

Kortom in de periode 1500-1800 was er sprake van een regionale specialisatie, waarbij Centraal-Europa een overgangszone vormde met een beperkte eigen karakteristiek.

Bevolking

Demografische ontwikkelingen

Binnen de agrarische samenleving, vòòr 1750 was slechts een beperkte toename van de bevolking mogelijk, afhankelijk van de beschikbare hoeveelheid aan en de verdeling van de bestaansmiddelen. Een serie van economisch voorspoedige jaren leidde vaak tot een demografische groei, zich uitend in:

  • ontginning van nieuwe, vaak excentrisch gelegen en schrale gronden.
  • nijverheidsproducten konden op een bepaalde plaats de beschikbare hoeveelheid bestaansmiddelen vergroten
  • de bevolkingsontwikkeling bezit een eigen dynamiek waarbij specifieke culturele elementen een voorname rol speelden.

Echter, telkens bleef de economische ontwikkeling achter bij de demografische groei. Met als gevolg schaarste en hongersnood bij slechte oogsten. In dit verband spreekt E. Le Roy Ladurie van Homeostase, een cyclische beweging van groei en contractie (krimp), waarin de bevolking gevangen zit en waaruit het moeilijk ontsnappen is.

Land 1500 1550 1600 1650 1700 1750 1800
Europees Rusland 12 14 15 17 20 26 35,5
Polen 4 4,5 5 5,3 6 7 9
Hongarije 1,3 1,3 1,3 1,3 1,5 2 3,3
Roemenië 2 2,2 2 2,3 2,5 3,5 5,5
de Balkan 4,5 5,7 6 6 6,3 8 10
Duitsland 9 10 12 11 13 15 18
Frankrijk 15 16 18,5 21 22 24 29
Spanje 6,5 7 8,5 7,5 8 9,5 11,5
Italië 10 11 12 11 13 15 19
Nederland 0,9 1,2 1,5 2 2 2 2
Engeland en Wales 3,8 4 4,3 5 5,8 6 9,3
Heel Europa 81 85 100 105 120 140 180

Bevolking in miljoenen

Dankzij de Zwarte Dood (waarschijnlijk builenpest) in de tweede helft 14e eeuw, vroeg 15e eeuw nam de bevolking van Zuid- en West Europa met 20% tot 40% af. Het Centraal en Oost Europa was minder getroffen. Vanaf 1500 nam de bevolking weer toe 60 miljoen in 250 jaar en daarna in 50 jaar nog eens 40 miljoen. In Duitsland was er tijdelijk sprake van teruggang door de dertigjarige oorlog (1618-1648), op de Hongaarse vlakten en de Balkan wordt dit veroorzaakt door de Turkse oorlogen. De schattingen zijn gebaseerd op de belastingadministratie en kerkelijke registers. Uit de cijfers blijkt niet dat er sterk onderscheid bestaat tussen stad en platteland.

De bevolkingsconcentraties

Bij de bespreking van de bevolkingsconcentraties zijn de spreiding en de concentratie van de bevolking van belang. De bevolking in Europa woonde vooral op het platteland, de graad van verstedelijking was laag. Rond 1600 woonden er 20 tot 30 mensen per km2en slechts 6% leefde in een stad met meer dan 10.000 inwoners, na 1800 steeg dit tot 10%.

Het gros van de bevolking leefde in dorpen, omringd door akkers, weilanden en bossen, waarvan vaak een deel gemeenschappelijk was. In de nabijheid van de verstedelijkte centra was ook de bevolkingsdichtheid op het platteland het hoogst. In Centraal- en Oost-Europa bestonden in de 16e eeuw vele, tamelijk recent gevormde, kleine dorpjes. In West-Europa waren de dorpen over het algemeen groter (30 tot 40 huishoudens), hier waren de huishoudens kleiner. In Hongarije waren er oppida, omvangrijke en beschermde boerenwoonplaatsen met 500-600 inwoners.

In West- en Zuid-Europa kwamen meer grotere plaatsen voor dan in Oost- en Noord-Europa. Vooral de categorie steden met 10.000 tot 30.000 was tussen 1500 en 1800 sterker vertegenwoordigd. In Oost-Europa waren relatief veel marktcentra met een omvang van slechts 1.000 inwoners. De urbanisatie lag in Oost-Europa op een veel lager niveau. Centraal-Europa vormde, met grote steden zoals Praag, Warschau, Dantzig, Lübeck en Dubrovnik een overgangszone.

Het patroon van verstedelijking is één van de duidelijkste verschillen tussen Oost en West die in de literatuur wordt geschetst. De concentratie van de bevolking in grotere stedelijke gebieden nam in de meeste Europese regio’s tussen 1550 en 1650 toe en nam vervolgens tot ca. 1750 weer af. In de 18e eeuw vertraagde het tempo van de verstedelijking in het algemeen, behalve in Oost-Europa. De afstanden tussen de steden waren groot. Er bestond een band van dicht bij elkaar en overwegend langs rivieren gelegen steden. De extreem grote steden telden 100.000 inwoners of meer. Deze metropolen waren voornamelijk, maar niet alleen, plaatsen van consumptie. Hoofdsteden met een administratief centrum van centraal geleide staten, waar via de belastingen het surplus van een uitgestrekte regio bijeen werd gebracht, dat ten dele aan infrastructuur en ten dele aan luxe werd besteed. Deze hoofdstedelijke groei was zodoende een afgeleide van het succes van het staatsvormingsproces.

De grote urbane centra waren voor hun voedselvoorziening afhankelijk van een groot achterland. De grote centra konden zich alleen ontwikkelen in een regio waar voortdurend bevolkingsgroei plaatsvond, zodat er een elastisch aanbod van mensen was. Voorwaarde voor zo’n toestroom van bevolking was dat deze niet gehinderd werd om zich te verplaatsen – b.v. door juridische drempels – zoals in Oost-Europa.

In Oost-Europa waren de stedelijke concentraties aanzienlijk kleiner, zowel in aantal als in omvang. Steden waren vooral administratieve centra. Er ontwikkelde zich slechts in beperkte mate een ambachtelijke of commerciële middenklasse en niet de stedelijke gilden, maar de kerk of de lokale heer domineerden.

In Rusland vormden vele steden een deel van het kerkelijk of prinselijk eigendom. Deze bezitters moedigden eventuele handel en nieuwbouw aan, ter vergroting van hun persoonlijke inkomsten. De landheren in Rusland behielden niet alleen de controle over de politieke en militaire ontwikkelingen, maar ook over de interregionale handel. Omstreeks 1500 was er een trage groei. Daar kwam een einde aan door het bewind van Iwan de Verschrikkelijke (1530-1584), leidend tot ontvolking van hele regio’s. Pas in de loop van de 17e eeuw herstelden de rust en de economie zich en daarmee, ook de stedelijke groei. De politieke en militaire onrust in deze periode bracht een ontvolking van gehele regio’s teweeg.

Landbouw

Producten, prijzen en productiviteit

Vòòr 1800 was vrijwel overal 50% tot 80% van de bevolking in de landbouw werkzaam. De boeren produceerden zo veel mogelijk verschillende producten om zichzelf en hun huishoudens gedurende het hele jaar te kunnen voorzien;

  • Tot 1750: broodgranen als rogge, gerst en tarwe
  • 17e eeuw: nieuwe producten als boekweit, maïs en rijst
  • 18e eeuw: aardappel – verandering in het bouwstelsel en in het consumptiepatroon.

Op vrijwel elk bedrijf was vee als trekkracht en als mestproducent aanwezig. Een vast deel van de oogst was bestemd voor zaaigoed en eigen consumptie. Het restant, qua omvang sterk afhankelijk van de oogst, werd op de markt gebracht, en oefende zo scherpe invloed uit op de graanprijzen. Scherpe schommelingen zijn kenmerkend voor de graanprijzen van de 16e tot de 18e eeuw.

Graanprijzen fluctueerden op de korte termijn door incidentele invloeden én met vaste regelmaat (séculaire trend) doordat de graanprijzen in de loop van het jaar stegen en kort na de oogst het laagst waren. Op langere termijn werden schommelingen veroorzaakt door de wisselwerking van de wijzigende omvang van de niet-agrarische bevolking, de ingebruikname van nieuwe gronden, veranderingen in de productiewijzen. Dit wordt seculaire trend genoemd.

De (relatieve) graanprijzen, afgezet tegen de prijzen van andere producten of uitgedrukt in edelmetaalgewicht, stijgen vanaf 1440-1460 tot 1600-1650, hierna wordt het tot 1750 weer goedkoper, waarna ze stijgen tot na de Napoleontische oorlogen (1820). De fluctautie correleren met de import van edelmetalen, en de toename van de vraag naar producten door de bevolkingsgroei. Deze periode van inflatie wordt misschien wel wat overdreven de prijsrevolutie genoemd. In die periode bleven de lonen veelal gelijk, men was ook niet bekend met het fenomeen van voortdurende ipv cyclische prijsstijging. Ook van belang voor het aanbod van graan was de ontwikkeling van de agrarische productiviteit, weergegeven in de verhouding tussen de oogstopbrengst en het daarvoor gebruikte zaaigoed. B. H. Slicher van Bath onderscheidde vier sectoren in Europa, in Nederland en Engeland was de factor ruim het dubbele van Oost-Europa.

Agrarische expansie

Tijdens de bevolkingscrisis verlaten gronden (Wüstungen) werden opnieuw in gebruik genomen door toenemende vraag naar agrarische producten. Kapitaalkrachtige landeigenaren namen de gronden in gebruik, er ontstonden grote bedrijven en eventueel aanwezige kleine boeren werden verdreven (Bauernlegen).

In delen van Polen, Centraal- en Oost-Europa, waar de bevolkingsdichtheid lager was, werden de kleine boeren juist gebonden via het Gutsherrschaft. Werkend of leverend in ruil voor beperkte rechten werden het lijfeigenen. Ze zijn vergelijkbaar met de Engelse Enclosures, gemeenschappelijke gronden van een dorp werden opgedeeld in particuliere omheinde landerijen, die gebruikt werden voor meer commerciële akkerbouw of veehouderij. Grote landeigenaren namen veelal het initiatief en verdreven de kleine boeren. De mede hierdoor snellere introductie van nieuwe gewassen en teelttechnieken (zoals betere vormen van bemesting) hadden een positieve invloed op de agrarische productie in Engeland.

In andere gebieden in de 16e eeuw werd nieuw land ingebruikgenomen door inpoldering en drainage van moerassen (Nederlanden, Engeland en het Middellandse Zeegebied) – waarna verpachting aan boeren en verbouwing van granen en handelsgewassen zoals vlas en hennep – en door irrigatie van droge percelen (Middellandse Zeegebied), wat grootschalige productie van graan, katoen, suikerriet en olijf- en wijngaarden mogelijk maakte.

In de 17e eeuw verminderde de agrarische expansie in de meeste delen van Europa. In het Westen van Europa ontstond een model, waarin “overtollige” arbeidskrachten van kleine boerenbedrijven op de zandgronden, in het hooi- en oogstseizoen, naar kustgebieden trokken, waar een tekort aan arbeidskrachten ontstond (trekarbeid).

De economische problemen in de 17e eeuw ontstonden mede door, dalende graanprijzen en vertraagde bevolkingsgroei a.g.v. oorlogsverwoestingen. De dalende graanprijzen na 1620 waren niet alleen een gevolg van de verminderde vraag naar voedsel in het algemeen, maar ook van toename van aanbod van graan en nieuwe voedingsmiddelen, zoals maïs, rijst, boekweit en vanaf de 18e eeuw de aardappel.

De ‘tweede feodaliteit’

Terwijl in het Westen van de 14e en 15e eeuw vrijwel een einde komt aan de feodaliteit, raakt in Centraal- en Oost-Europa van de 15e tot 18e eeuw de bevolking in een positie van lijfeigenschap, of Tweede feodaliteit. De term lijfeigenschap wordt gebruikt voor de tweede vorm van feodaliteit, met de term horigheid wordt verwezen naar de middeleeuwse westerse feodaliteit. Desondanks lijken beide vormen erg op elkaar. Met name qua juridische status: beide onvrij en onbekwaam. In institutionele (niet contractuele) zin.

Bij de laatmiddeleeuwse horigheid van West-Europa was de verplichte arbeidsdienst op het domein van de heer betrekkelijk zeldzaam, dat domein lag immers verspreid over een groot gebied. In het Oost-Europese systeem was het eigendom vaak juist geconcentreerd, soms bestaand uit meerdere aangrenzende dorpen. In Rusland was het weer vaak versnipperd, maar ontstonden ook gedwongen arbeidsdiensten. Ten Oosten van de Elbe kon de lijfeigenschap drie tot zeven dagen van de week betreffen. Een boer kon zijn zoon sturen of een knecht, maar moest ook zelf alle middelen leveren en daar de kosten voor dragen.

Zowel in het Westen als Oosten hadden de heren juridische rechten en taken, zoals lokaal bestuur en rechtspraak, en economische rechten, zoals recht op bouw en exploitatie van molens, bakovens, brouwerijen, de verkoop van wijn, bier en sterke drank, beoefening van visvangst en jacht, de handel in ossen. De ‘vrije’ boer in het Westen was ook onderworpen aan belastingen en verplichte leveringen (tienden).

Terwijl in West-Europa de centrale overheden erin slaagden in de 17e eeuw en 18e eeuw vele van de juridische rechten en taken naar zich toe te trekken, won in Midden- en Oost-Europa juist de lokale adel (grondbezitter) aan macht.

De tweede feodaliteit ontwikkelde zich stapsgewijs. In deze ontwikkeling zijn twee vormen te onderscheiden:

  • In het Boheems model van Centraal-Europa was de boer juridisch aan het landgoed gebonden.
  • In het Pools, Russisch en Hongaars model was er een band tussen een adellijke familie en de boerenfamilies op het landgoed, de erfelijkheid overheerste.

Het verschil was dat in het Boheens model de boer zich nog vrij kon kopen, in het andere model overheerste erfelijkheid. De ontwikkeling van het systeem en de positie van de boeren verliep overal anders.

Wallerstein verbindt de herleving van de lijfeigenschap in Oost-Europa met het ontstaan van een afhankelijkheidsrelatie tot West-Europa, als centrum van de Europese economie. Voor verschillende streken kan echter geen rechtstreeks verband worden vastgesteld tussen de opkomst van de lijfeigenschap en het moment waarop de graanprijzen het hoogst waren.

Nijverheid

De meeste steden in de 15e en 16e eeuw waren centra waar de bevolking een bestaan vond in de nijverheid, de handel en de dienstensector. In de steden werden diensten voor het omringende land verzorgt, tevens waren het marktcentra met distributie van goederen. De nijverheid bleef niet tot de urbane gebieden beperkt. Rurale (platteland) nijverheid – mijnbouw, steenbakkerij, textielproductie en de schoenmakerij – kwamen onder bepaalde omstandigheden beter tot ontwikkeling op het platteland dan in een stedelijke omgeving.

Vroegmoderne nijverheid

  1. lokaal–ambachtelijke nijverheid
    • Bakkers, smeden, timmerlieden, enz.
    • Productie voor de lokale markt en het verzorgingsgebied van de stad.
  2. productie van luxeartikelen
    • Gouden en zilveren sieraden, zijden stoffen, borduursels, glas-in-loodramen, kerkelijke ornamenten en seculiere kunstvoorwerpen.
    • De afzet van deze bedrijvigheid vond verspreid over geheel Europa plaats: aan de stedelijke elites, de hoven, de kastelen en de kathedralen.
    • Het aantal kopers was uitermate beperkt, maar het aandeel ervan in de totale waarde van alle verhandelde goederen moet groot zijn geweest.
  3. producten voor de export
    • Naast de productie van gebruiksartikelen voor de lokale en regionale markt.
    • Hoge arbeidsproductiviteit dankzij vergaande arbeidsdeling.
    • Voorbeelden: wolververijen en linnenblekerijen.
    • Textielnijverheid en veredelingsindustrie (trafieken).
  4. Exploitatie van mineralen en ertsen: kapitaalintensieve mijnbouw
    • Koper- , zilver- en loodmijnen.
    • Beperkt tot enkele regio’s.
    • Industrieel arbeidende klasse.

Rurale nijverheid: ontstond in gebieden met een schrale grond waar de agrarische productiviteit laag was, of in gebieden waar een voorafgaande bloeiperiode tot relatieve overbevolking had geleid.

Het starre en hogere stedelijke loonniveau voor de ondernemers was een stimulans de productie te verplaatsen van de door de gilden gereguleerde stedelijke centra naar het platteland, te meer daar de dalende landbouwprijzen de vraag van het niet-agrarische deel van de bevolking naar nijverheidsproducten vergrootte.

Rurale huisnijverheid. Het principe van putting out verschaft de ondernemer grondstoffen en productiemiddelen aan ‘thuiswerkers’. Het vormt een schakel tussen de laatmiddeleeuwse nijverheid en de 18e en 19e eeuwse industriële ontwikkeling (proto-industrialisatie). Deze rurale nijverheid betekende een zware concurrentie voor de stedelijke textielnijverheid die voor een lokale markt eveneens goedkopere stukken produceerde. In Zwaben, Saksen en Silezië nam de rurale huisnijverheid in de tweede helft van de 16e eeuw en de eerste decennia van de 17e eeuw grote vormen aan. De nijverheid ontwikkelde zich in de 15e tot 17e eeuw overwegend in de urbane centra en in de rurale gebieden met relatieve overbevolking.

Op het platteland verschafte de productie van goedkope artikelen een aanvullend inkomen aan de bevolking. In de oostelijke en noordelijke delen van Europa ontbraken echter de voorwaarden zowel voor de ontwikkeling van de rurale nijverheid als, voor de productie van luxe artikelen.

Handel

Mediterrane en Atlantische handel

In dit gebeid was er in de 15e en 16e eeuw intensief handelsverkeer, dankzij bevaarbaar kustwater en relatief gunstige verbindingen over land. Een aantal verharde wegen uit de Romeinse tijd, verbond de belangrijkste plaatsen in de regio met elkaar. De grootste stad was Constantinopel (Hoofdstad Byzantijnse Rijk). In 1453 werd ze overgenomen door de Turken en Istanboel werd de hoofdstad van het expansieve Ottomaanse rijk. Handel tussen Oost en West vond alleen via Venetië en Istanboel plaats. De ligging van Istanboel is uitzonderlijk aan twee zeeën en twee continenten. In de 16e eeuw het commerciële, politieke en administratieve centrum van het Ottomaanse Rijk. De voedselvoorziening kwam uit de omgeving (Balkan, Hongarije) en was, zoals bij de meeste grote mediterrane landen, in overheidshanden.

Er trad in deze regio’s een specifieke agrarische specialisatie op met lijfeigenschap als één van de kenmerken. Andere steden deelden in het handelsverkeer, zoals Venetië (poort naar Azië) en Genua. Het handelsverkeer sloot aan op de goederenstromen naar – en de grote jaarmarkten van b.v. Frankfurt, Neurenberg, Besancon en Lyon. De Spaanse en Portugese handelssteden richtten zich in de 16e eeuw vooral op de bezittingen in de Nieuwe Wereld en op de vaart naar Indië.

De voedselvoorziening van al deze grote steden was afhankelijk van omringend land en enkele gespecialiseerde agrarische gebieden, zoals Sicilië en Thessalië. De voedselschaarste nam toe door de algemene bevolkingsgroei, met als gevolg een toenemende handel met Noordwest-Europa. Vooral Nederlandse schepen brachten graan van de Amsterdamse graanbeurs naar het Middellandse Zeegebied. Hierdoor werd de relatieve onafhankelijkheid van de mediterrane economie beëindigd.

Het commerciële zwaartepunt in Europa verschoof langzaam van het Middellandse zeegebied, met zijn polycentrisch stedelijk netwerk met aansluiting op de transalpijnse jaarmarkten, naar het Noordzeegebied, waar zich een monocentrisch stedelijk netwerk ontwikkelde rond de markten van achtereenvolgens Antwerpen, Amsterdam en Londen.

Midden- en Noord-Europese handel

Achterstand in landverbindingen t.o.v. het Middellandse Zeegebied door meer regen, vochtiger land, meer bos, veen en de afwezigheid van een goed wegennet, vergrootten hun afhankelijkheid van het vervoer over water. Korte afstanden: bepaalde producten zoals textiel, lichte luxe waren, ossen en koper van en naar de belangrijkste jaarmarkten. Langere afstanden via de rivieren, alsmede de Noordzee en de Oostzee. Voor toegang tot de Baltische staten moest men de Sont passeren alwaar door de Denen tol werd geheven. De Sonttolregister vormen een gedetailleerde registratie van de ladingen over 300 jaar van ieder schip, in of uit.

Hanze, een verbond van onderlinge preferentie tussen steden in de Baltische regio, Noord-Duitsland en de Nederlanden. Begin 16e eeuw kregen de Nederlanders het feitelijk monopolie op de handel op de Baltische kust waardoor het zwaartepunt van de handel zich verplaatste naar Amsterdam. Het polycentrische karakter van het Hanzeverbond maakte op termijn plaats voor de handel met de monocentrische Amsterdamse markt. In de loop van de 16e eeuw nam de handel in rogge toe tussen de Baltische regio en de Nederlanden en Engeland. Deze graanexport had grote strategische waarde. Het extra graan dat via Amsterdam op de markt kwam, vormde voor de stedelijke bevolking in de Nederlanden en Engeland een noodzakelijke aanvulling op de eigen graanproductie. Amsterdam ontwikkelde zich tot de graanbeurs in Europa, wat een stimulans was voor andere takken van bedrijvigheid. De Baltische handel werd door tijdgenoten de moedercommercie of hoofdnegotie genoemd.

De adel in Oost-Pruisen, Polen en de Baltische staten handhaafde haar zeer hoge levensstandaard, ondanks grote oorlogsuitgaven in de 17e eeuw. Sedert 1620-1670 nam het belang van de Baltische handel af als gevolg van de Noordse oorlog (1655-1660) die grote schade veroorzaakte in het gebied rondom en ten zuiden van Dantzig, waardoor de productie verminderde. En door genoemde veranderingen in bestemmingsgebieden die tot gevolg hadden dat deze minder afhankelijk werden van voedselimporten uit het Oostzeegebied.

Sociale verhoudingen

Tussen groepen mensen bestaan op grond van hun economische, juridische of sociale positie in de maatschappij grote verschillen. Een reconstructie van deze maatschappelijke gelaagdheid geeft historici de gelegenheid uitspraken te doen over levenskansen van groepen mensen en over de toe- en afname van ongelijkheid, bezits- of machtsconcentraties.

Onderscheid tussen stad en platteland

Op het platteland zijn inkomen en grondbezit, de juridische positie (lijfeigene, vrije, edele, geestelijke) en etnische en religieuze verschillen van doorslaggevende betekenis. In stedelijke gebieden is een grotere beroepsdifferentiatie, met het daarmee verbonden uiteenlopende beroepsprestige, en betroffen de sociaal-juridische verschillen vooral het bezit van burgerrechten (een voorwaarde voor eventuele politieke invloed).

Bovenaan de maatschappelijke piramide stond de adel. Hun macht was gebaseerd op agrarisch inkomen, ze leefden soms bij voorkeur in de stad. Per regio is de rol die de adel vervulde in politiek en economisch opzicht verschillend. In Frankrijk en het mediterrane gebied werd het adeldom verleend aan ambtenaren (adelsverheffing leidde tot nieuwe ambtsadel), zij werden hierdoor gebonden aan de machthebbers. In geheel Europa werd de hogere adel in de 17e en 18e eeuw over het algemeen steeds meer opgenomen in de kring rond het hof en door de vorst met hoge staatsfuncties bedeeld. De Oost- en Zuid-Europese adel bezat gemiddeld meer land dan de West-Europese adel (uitgezonderd Engeland).

De stedelijke bevolking bestond uit handelaren, beoefenaren van vrije beroepen, zoals juristen en medici en groepen met geringere sociale status, de leden van de ambachtsgilden en de ongeorganiseerde stedelingen. In veel steden was het formele burgerschap een geboorterecht of werden hiervoor (min of meer) hoge financiële drempels gesteld. De welvarende burgers in de stedelijke commerciële centra bezetten de lokale bestuurlijke posities. De meest welvarende burgers met een commerciële achtergrond in West-Europa ambiëerden een aristocratische levensstijl en verschillende van hen werden, samen met hoge staatsbeambten, in de adelstand verheven. De grootste Europese steden werden vrijwel allemaal door leden van de adel bestuurd. In sommige steden, zoals in de Nederlanden, in Noord-Italië en in Parijs verwierven rijke burgers de stedelijke heerschappij. Onder aan de maatschappelijke piramide stonden de stedelijke arbeidende bevolking, de armen en de (agrarische) plattelandsbevolking. Tussen de boeren bestonden weer verschillen op basis van grondbezit en juridische status, lijfeigen of vrij.

Uit een globale weergave van de Engelse samenleving blijkt in 115 jaar (tussen 1688 en 1803) slechts een geringe verandering van de sociale verhoudingen te zijn opgetreden. Tussen de 15e en 17e eeuw nam als gevolg van de Reformatie vooral het kerkelijk grondbezit af, waarvan voornamelijk de grotere boeren en de adel profiteerde. Door de Enclosure-beweging in de 18e eeuw werd de verdeling van het landbezit echter ongelijker ten gunste van de grootste landeigenaren. Op regionaal niveau groeiden vooral de onderste lagen van de bevolking, zowel in de steden en stadjes als op het platteland. Eén van de gevolgen was een sociale polarisatie, waarbij bovendien grotere groepen zonder burgerrechten ontstonden.

Sociale polarisatie met als voorbeeld Saksen waar de rurale industrie zich ontwikkelde. In 300 jaar slinkt het aantal boeren met grond van 49,5% in 1550 tot 13,5% in 1843, terwijl in diezelfde periode het aantal keuters (arbeiders die een agrarisch bestaan combineren met huisarbeid op een lapje grond)) stijgt van 4,6% naar 46,8%. De nijverheid en de urbane bevolking bleven in Oost-Europa in omvang beperkt. Daarmee kwam de groep vrije en welvarende burgers in verhouding minder tot ontwikkeling dan in West-Europa. Lijfeigenschap bood ook een zekere bescherming in economisch moeilijke tijden. Bovendien werden de sociale relaties in belangrijke mate beheerst door een patriarchale zorgplicht van de adellijke families. De juridische status van de bevolking was van belang. De Oost-Europese boeren waren onvrij en gebonden aan adel en grond, met overeenstemmende rechten en plichten. In de overige delen van Europa betekende het al dan niet bezitten van stedelijke burgerrechten een veel minder verstrekkend juridisch verschil.

Verklaringen voor de ‘tweede feodaliteit’

J. Blum: verklaarde de opkomst van de lijfeigenschap hoofdzakelijk uit politieke factoren, met een cruciale rol voor de adellijke landheren. In West Europa in de 14e en 15e eeuw slaagde het centrale staatsgezag in de meeste delen zijn suprematie over de adel te vestigen. In Oost-Europa verzwakten oorlogen en onderlinge dynastieke rivaliteiten de positie van dit gezag. Hiervan profiteerde vooral de lage adel, die voor het verschaffen van leningen en steunbeloftes landerijen en een grotere zeggenschap over steden en boeren in ruil kreeg. In de nabijheid van markten nam de domaniale productie (middels een hofstelsel) voor de markt toe, met gebruikmaking van de goedkoopst mogelijke arbeid: de door lijfeigenen te verrichten arbeidsdiensten. De afhankelijkheid van boerenfamilies en dorpsgemeenschappen t.o.v. machtige adellijke families bevatte ook positieve elementen. Een veilige plaats in een onrustige omgeving.

De verklaring van B. H. Slicher van Bath voor de opleving van de lijfeigenschap is als volgt. Er is een verband tussen graanprijzen, graanexport en uitbreiding van de lijfeigenschap. Toch is de graanexport slechts beperkt van omvang. In de loop van de 18e eeuw werd de binnenlandse vraag wel weer gestimuleerd door de groeiende bevolking en de sterkere urbane concentratie. De lijfeigenen raakten ook betrokken bij allerlei commerciële activiteiten. In Oost-Rusland vond de huisnijverheid plaats op putting-out basis.

Slicher van Bath benadert de Tweede feodaliteit als volgt:

  1. de Oost-Europese gebieden concurreerden op diplomatiek en militair vlak met de economisch sterker ontwikkelde West-Europese staten, zodat er een relatief hoog collectief uitgavenniveau en een hoge belastingdruk ontstond.
  2. daarbij was een relatief groot deel van de bevolking niet economisch actief: de adel en de geestelijkheid.
  3. Deze beide factoren, gevoegd bij de lage kwalitatieve ontwikkeling van de landbouw in Oost-Europa (de lage productiviteit), moesten leiden tot een hoge belasting van de economie en dus van de landbouw.

Twee mogelijkheden:

  1. Productieverhoging: niet aantrekkelijk bij lage graanprijzen.
  2. Kostenvermindering: aantrekkelijker door intensivering en uitbreiding van arbeidsdiensten.

R. Brenner (marxist) stelt dat de lijfeigenschap een voorbeeld is van uitbuiting of op zijn minst een intensieve exploitatie van arbeidskracht.

Divergentie in Europa

Een samenspel van structurele en conjuncturele factoren was verantwoordelijk voor de divergentie in de sociaal-economische ontwikkeling na 1450 in Oost-, Centraal- en West-Europa. De uitgangspositie in deze gebieden was reeds ongelijk.

Oost-Europa en grote delen van Centraal-Europa:

  • geringere bevolkingsdichtheid
  • ontbreken van grote urbane concentraties met een stedelijke arbeidsdifferentiatie
  • structureel lage agrarische productiviteit in vergelijking met West-Europa
  • belangrijke positie van de adellijke elites met een sterke positie t.o.v. centrale overheid

West-Europa:

  • bevolkingsgroei en (voortgaande) urbanisatie met relatief beperkte invloed van oorlogen en epidemieën na de 15e en 16e eeuw
  • vermindering van de domaniale landbouw en een groei van de nijverheidssector.
  • in het Westen leidden de recessies in de landbouw juist tot een toename van de rurale nijverheid en niet tot contractie en autarkie. Dit leidde tot een grotere beroependifferentiatie en de opbouw van een complexe sociale structuur.

Naast de trends in economische ontwikkeling, het bevolkingsverloop en de totstandkoming van een regionale arbeidsverdeling was ontegenzeglijk ook de ontwikkeling in de sociale gelaagdheid van de bevolking een factor van belang.

 

Zelftoets

Vraag 1

Voor West-Europa was het ancien régime een tijd van urbanisatie, commerciële expansie en een sterke groei van de secundaire sector (nijverheid) en tertiaire sector (handel, dienst­verlening). Het onderscheidde zich wat dat betreft van Oost-Europa, dat veel langer een overwegend ruraal-agrarisch karakter bleef dragen.

Kan, grosso modo gesproken, ook worden gesteld dat de bevolking van West-Europa in de periode 1500-1800 harder is gegroeid dan die van Oost-Europa? Baseer uw ant­woord op het cijfermateriaal in tabel 1.1 van het handboek.

antwoord

De gesuggereerde generalisatie wordt niet gestaafd door de cijfers. Tussen 1500 en 1800 is de bevolking van Europa als geheel ruimschoots verdubbeld. Oost-Europa blijkt geen achterblijver. Integendeel, het inwonertal van Europees Rusland – verreweg de grootste regio – verdrievoudigde zelfs. Polen, Hongarije, Roemenië en de Balkan zijn alle meer dan verdubbeld. Anders dan men misschien zou verwachten, behoorden de ‘moderne’ West-Europese staten niet tot de snelst groeiende landen, met uitzondering van Enge­land dat een bevolkingstoename kende die iets boven het Europese gemiddelde lag.
Vraag 2

De ontwikkeling van de sociale verhoudingen in Oost-Europa tijdens het ancien régime werd bepaald door een complex van economische, demografische en sociale veranderin­gen. Beschrijf deze in een puntsgewijze opsomming en geef daarbij de verschillen met West-Europa aan.

antwoord

Uw antwoord zou de volgende elementen moeten bevatten:

  • De demografische uitgangssituatie was verschillend doordat Oost-Europa een lagere bevolkingsdichtheid en urbanisatiegraad had.
  • Door de relatief lage agrarische productiviteit kon de niet-agrarische beroepsbevolking nauwelijks toenemen. Die rem op de groei van de secundaire en tertiaire sector hield de urbanisatie tegen. In West-Europa kreeg deze juist een krachtige impuls dankzij de ontplooiingskansen voor handel en nijverheid.
  • In West-Europa verloor de lokale adel terrein aan het centrale gezag. De Oost-Europese adel daarentegen kreeg een sterkere positie doordat de nationale vorsten steeds meer concessies aan de plaatselijke edelen moesten doen om hun ambitieuze politiek te kunnen realiseren.
  • De Oost-Europese adel gebruikte zijn sterkere positie om een grootgrondbezit op te bouwen door de boeren van hun land te verdrijven of ze te degraderen tot de status van lijfeigenen. Deze ontwikkeling werd bevorderd door de stijging van de graanprijzen die in de tweede helft van de vijftiende eeuw begon en zich gedurende de hele zestiende eeuw voortzette.
Vraag 3

Omstreeks 1600 verdrong het monocentrische handelsnetwerk van de Amsterdamse stapelmarkt de polycentrische handel die werd beheerst door de Hanzesteden en de steden in het Middellandse Zeegebied.
Welke gevolgen had dat voor de Noord-Italiaanse steden?

antwoord

De Noord-Italiaanse steden beleefden een sterke economische achteruitgang. De handel van Venetië met het Ottomaanse rijk kreeg een knauw door de concurrentie van Spanje en Portugal, die zich gingen toeleggen op de aanlevering van specerijen uit Azië. Doordat de voedselvoorziening in het Middellandse Zeegebied verslechterde, moesten er grote hoeveelheden graan uit Noordwest-Europa worden geïmporteerd. Die door Amsterdam gedomineerde graanleveranties verhoogden de afhankelijkheid van de mediterrane economie. De Italiaanse steden hadden bovendien zwaar te lijden onder de concurrentie van de opkomende rurale nijverheid.
Vraag 4

In de ontwikkeling van de relatieve graanprijzen tussen 1440/1460 en 1820 zijn drie fasen te onderscheiden.

a. Welke invloed hadden de graanprijsstijgingen in de periode 1440/1460-1620 op de ontwikkeling van de ‘Gutsherrschaft’ in Oost-Europa?

antwoord

Sommige historici leggen een rechtstreeks verband tussen de stijging van de relatieve graanprijzen en de ontwikkeling van de ‘Gutsherrschaft’. Zij redeneren ongeveer als volgt. De lucrativiteit van de graanbouw stimuleerde de lokale adel tot het creëren van grote landbouwbedrijven. Kleine boeren die hen daarbij in de weg stonden, verdreven ze vaak van hun land (‘Bauernlegen’). Om de exploitatiekosten van hun landgoederen te drukken, bliezen ze de lijfeigenschap nieuw leven in, een gedrag dat gelegitimeerd werd door het centrale gezag, dat van de lokale adel afhankelijk was. De auteur van dit hoofdstuk ontkent dat de opkomst van de ‘Gutsherrschaft’ en de toename van de lijf­eigenschap rechtstreeks uit de stijging van de graanprijzen kunnen worden verklaard. Ook andere factoren hebben daaraan bijgedragen, zoals de luxueuze levensstijl van de Oost-Europese elites en de versterking van de centrum-periferieverhoudingen.

b. Waardoor daalden de graanprijzen na 1620?

antwoord

De daling valt toe te schrijven aan de concurrentie van voedingsmiddelen als rijst, boekweit, maïs en – vanaf het begin van de achttiende eeuw – aardappelen, het grotere aanbod van graan en de verminderde vraag naar voedsel door de stagnatie, c.q. achter­uitgang van de bevolking.

c. Wie profiteerden van de graanprijsdaling na 1620 en waaraan besteedden zij hun grotere koopkracht?

antwoord

De lagere graanprijzen vergrootten de koopkracht van het niet-agrarische bevol­kings­deel en leidden tot een grotere vraag naar nijverheidsproducten. De vraag naar agrari­sche producten is inelastisch (weinig afhankelijk van prijsschommelingen).

Maarten Duijvendak

Veelvormige dynamiek – H00

Europa, 1450-1800. Traditie en vernieuwing, eenheid en verscheidenheid Dertien bijdragen van veertien auteurs, schetsend een aantal belangrijke en karakteristieke ontwikkelingen in (en rond) Europa in de periode van circa 1450 tot circa 1800. Bestaat er een...

Veelvormige dynamiek – H01

Bevolking, economie en sociale verhoudingen - divergente ontwikkelingen in Europa Inleiding Dit hoofdstuk gaat over de ingrijpende verschuivingen die in Europa na 1500 plaats vonden op het gebied van bevolking, economie en sociale verhoudingen. Het blijkt dat...

Veelvormige dynamiek – H04

De staat in opmars (vijftiende en zeventiende eeuw) Introductie De auteur, Maarten Prak, behandelt het moderniseringsproces in de diverse Europese staten en de belangrijke rol daarbij van de diverse betrokken vorsten, de standen en andere maatschappelijke...

Veelvormige dynamiek – H05

Politiek denken in de vroegmoderne tijd Inleiding Dit hoofdstuk is gewijd aan het politiek denken of de politieke theorie in de vroegmoderne tijd. Het is van belang om u te realiseren dat belangrijke essentiële elementen van de politieke theorie en het...

Veelvormige dynamiek – H08

Politieke theorie; 1650-1800 In de inleiding van dit hoofdstuk wordt het belangrijke onderscheid tussen een ‘ascending’ en ‘descending theory of government’ aan de orde gesteld en toegelicht. Dit onderscheid komt later in dit hoofdstuk, aan de hand van concrete...

Veelvormige dynamiek – H09

De Engelse, Amerikaanse, Franse en Nederlandse revolutie Introductie De titel van hoofdstuk 9 vermeldt al dat het hier om een studie van vier revoluties in vergelijkend perspectief gaat. Een dergelijk uitgangspunt biedt veel mogelijkheden maar kent ook...

Veelvormige dynamiek – H11

Kerk en religie in het confessionele tijdperk Introductie Centraal thema is hier hoe de oude rooms-katholieke kerk en de diverse nieuwe protestantse kerken (de nadruk ligt in dit geval op de lutherse, calvinistische en anglicaanse kerk) na de scheuring in het...

Veelvormige dynamiek – H12

De wetenschappelijke revolutie Introductie In dit hoofdstuk handelt het opnieuw om traditie en vernieuwing, maar ook om de overgang van geocentrisme naar , de weg van astronomie naar fysica, de betekenis...

Veelvormige dynamiek – H13

Rede en openbaring in de Verlichting Het laatste hoofdstuk van het handboek gaat over de Verlichting, die ook al in eerdere hoofdstukken ter sprake is gekomen. De auteur van dit hoofdstuk, Jan Wim Buisman, behandelt de Verlichting aan de hand van een aantal...
Print Friendly, PDF & Email
  1. In dit bestek kunnen slechts enkele werken worden genoemd, bijvoorbeeld A. Mączak, H. Samsoniwicz en P. Burke, East-Central Europe in transition. From the fourteenth tot the seventeenth century (Cambridge 1985); M. Malowist, Croissance et régression en Europe XIVe-XVIIe siècles (Parijs 1972); F. Braudel, La Méditerranée et le monde méditerranéen à l’époque de Philips II (Parijs 1966); Idem, La civilisation matérielle et capitalisme (Parijs 1967); P. Kriedte, Spätfeudalismus und Handelskapital. Grundlinien der europäischen Wirtschaftsgeschichte vom 16. bis zum Ausgang des 18. Jahrhunderts (Göttingen 1980).
  2. De discussiebijdragen in Past & Present werden gebundeld in: T.H. Aston en C.H.E. Philpin, The Brenner debate. Agrarian class structure and economic development in pre-industrial Europe (Cambridge 1985).
  3. R. Brenner, ‘Agrarian Class Structure and Economic Development in Pre-Industrial Europe’, in: Aston en Philpin, The Brenner debate (p. 10-63).